Gekonkel in het kippenhok

Op scholen wordt tegenwoordig van alles gedaan om pesten tegen te gaan. Kanjertraining, Alles Kidzzz, Sta Sterk, de anti-pestprogramma’s schieten als paddenstoelen uit de grond. En terecht, want kinderen zijn meedogenloos en de mens is een wreed wezen. Bijna iedereen is in zijn leven weleens het pispaaltje geweest, slachtoffer van spot, geroddel en andere narigheid. We maken elkaar zonder blikken of blozen met de grond gelijk en dan het liefst ook nog met zoveel mogelijk tegen één. Nee, dan de dierenwereld, daar maken ze zich tenminste niet schuldig aan dergelijke primitieve praktijken. Dieren co-existeren binnen hun eigen groep tenminste in harmonie, daar zouden wij als zogenaamd hoog-geëvolueerde soort weleens een voorbeeld aan mogen nemen. Althans, die mening was ik tot voor kort nog toegedaan. Ga je echter op het platteland wonen, dan merk je al snel dat ook in het rijk der dieren vuile spelletjes worden gespeeld. Ja, niet alleen het schoolplein, maar ook het erf kent zijn intriges.

GekonkelinhetkippenhokEén van onze kippen wordt gepest. Niet door de Terroristen, of door de buurkinderen. Nee, door haar mede-hennen. We hadden het niet gelijk door, want bij kippen gaat treiteren blijkbaar net zoals bij mensen: stiekem. Bovendien scharrelen de dames sinds enige tijd vrij rond in de tuin, dus we hebben wat minder supervisie dan toen ze nog veilig binnen de perken van hun eigen ren zaten. Maar goed, meestentijds liepen de gezusters met z’n allen over het landgoed, als een soort mobiel, kakelend dameskransje. Ze vielen je met z’n allen aan als je het waagde één voet over je eigen drempel te zetten, legden collectief al maanden geen eieren meer, dus de eensgezindheid leek op het eerste gezicht groot. Wellicht hadden we verder moeten kijken dan onze neus lang is, maar je kunt het ons niet kwalijk nemen. Amsterdammers zijn nou eenmaal niet gewend aan pestend pluimvee.

“Die kip, die ziet een beetje pips” zei mijn vader op een ochtend. En inderdaad, de veertjes waren wat gerafeld, op sommige plekken was ze kaal. “Vreemd” zei ik, “Misschien een ziekte?”. Vogelgriep of SARS ofzo, meer vogelziekten kon ik niet verzinnen. Maar dat leek toch onwaarschijnlijk, vooral ook omdat de andere kippen er blakend van gezondheid bij liepen. Een tijdje hebben we het maar op een winterdepressie gehouden, je moet de psyche van een kip tenslotte niet onderschatten, zoveel hebben we inmiddels wel geleerd. De waarheid kwam echter onlangs aan het licht, toen mijn vader op een ochtend nietsvermoedend naar de schuur liep. Achter de boerderij hadden de vijf pestkoppen zich verzameld, nummer zes angstig in een hoekje drukkend. Zachtjes sloop mijn vader naderbij en was getuige van een goedgemikte pik, recht in de flank van het arme slachtoffer. Kakelend lachten de vijf plaaggeesten en toen regende het scherpe snaveltjes tegen een weerloos verenpak. Mijn vader was geschokt. Zo meedogenloos zijn zelfs bovenbouwers in het fietsenhok nog niet.

Snel daarna werd duidelijk dat het arme beest al veel langer niet meer met haar collega’s op stok gaat. Eenzaam en alleen wordt ze bij het vallen van de avond verbannen naar het donkerste plekje van het kippenhok. Terwijl de gezusters met zijn vijven lekker warm tegen elkaar aan kruipen, moet nummer zes in het verdomhoekje haar veertjes bij elkaar zoeken. Eten krijgt ze bijna niet, want de alfa-vrouwtjes verschansen zich gezamenlijk voor de bak met korrels als het voedertijd is. De muur van dikke kippenkonten is vrijwel ondoordringbaar en als ze het toch waagt dichterbij te komen, klapwieken de vleugels dreigend. Dus moet ze het doen met af en toe het afgekloven klokhuis van een appeltje dat Terrorist nr. 1 haar barmhartig toewerpt of de schalen van legbatterijeieren uit de supermarkt, die mijn vader op de composthoop gooit. Alsof je een moeder vraagt andervrouws placenta op te eten. Hoe barbaars is dat? Niet de mens is het meest meedogenloze wezen, de kip steekt er met kop en schouders bovenuit.

We doen ons best de gemoederen in het kippenhok te kalmeren, maar vooralsnog zonder resultaat. De Katrientjes zijn niet voor rede vatbaar. Nuffig keren ze ons de rug toe, als we weer eens proberen hen de les te lezen over harmonie en verdraagzaamheid. Hun scherpe snavels boren zich hardhandig in je kuiten als je het waagt de voederbak richting nummer zes te schuiven. Treurig en zienderogen vermagerend sjokt zij in hun kielzog dan de hele dag maar mee, hopend op de gratie van een verloren korrel maïs. Inmiddels overweeg ik om nummer zes dan maar te adopteren en er een huiskip van te maken. Ik denk wel dat het eerst even vechten wordt met de katten, maar na maandenlang klappen met een tiental slagpennen, draai je voor een paar kattenklauwen je vleugel niet meer om.

Ik denk overigens wel dat ik door het gepest van de Katrientjes een gat in de markt heb gevonden. Kanjertraining voor Kippen. Het wordt een daverend succes, let maar op. Nooit meer gekonkel in het kippenhok. Het platteland zal me dankbaar zijn.

Share

2 Comments on Gekonkel in het kippenhok

  1. lara
    17 april 2015 at 18:26 (2 jaar ago)

    Ooooh, je moet het doen! Maak haar tot huiskip! Arme kip nummer zes, aaaaw. Zo zielig. Ik moet er nu steeds aan denken. Wellicht kan ze een romance beleven met de haan van de buren (leeft hij nog?), dan worden de Katrientjes jaloers en willen ze haar weer als vriendin!

    Beantwoorden
  2. fiona
    18 april 2015 at 17:40 (2 jaar ago)

    Tsja, nu weet je ook waar de term ‘pikorde’ vandaan komt. Als je goed kijkt is er ook een ‘leiderkip’ die altijd het beste voer krijgt. Meestal komt dat wel tot rust als de loserkip haar lage plaats in de pikorde heeft geaccepteerd en trucjes gaat bedenken om toch voldoende voer te krijgen. Onze loserkip kon echt het snelste rennen van allevier en kreeg zo toch vaak nog wat lekkers mee. Of een haan nemen, dan schikken je kippen zich als onderdanige vrouwen :-)

    Beantwoorden

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

Comment *