januari 2016

(Z)onder moeders vleugels

Als je in de loopgraven van het moederschap ligt, besmeurd met zure melk, kots en poep, dan kun je niet wachten tot je eindelijk het trompetgeschal van de cavalerie (in dit geval: de bel voor school) hoort en de strijd is gestreden. Maar als het dan eenmaal zo ver is, de vijand (aka je kroost) heeft gecapituleerd en de lieve vrede is weergekeerd, dan is het in die lege loopgraven opeens toch wel heel erg stil…

Als je er middenin zit, in de hele kleine kinderen, dan is het weinig meer dan een ‘living hell’. Een aaneenschakeling van prakluiers verschonen, in het holst van de nacht rondlopen met een slaapweigerend kind, wassen draaien en peuterbillen afvegen. Als je er middenin zit, denk dat je er nooit meer uitkomt. Je vraagt je af waarom bijna iedereen aan kinderen begint, waarom er niemand van de oudere generatie je vertelt dat het de hel op aarde is en dat je er maar beter niet aan kunt beginnen. Want iedere, echt iedere ouder moet het wel een keer gehad hebben, die neiging om op een dag je kind met een knapzak met boterhammen met pindakaas en mandarijntjes bij het pompstation te laten staan nadat je de stationwagen hebt vol gegooid. Gewoon weg kunnen rijden en overnieuw kunnen beginnen. Sans hellraiser.

De hysterische waan van alledag met kleine kinderen overschaduwt heel makkelijk de mooie kanten ervan. Omdat je meestal door de stapels ondergespuugde rompers het bos gewoon niet meer kunt zien. Hoe vaak ik niet gedacht heb: mijn god, waren ze maar alvast wat groter, gingen ze maar alvast naar school. Hoe vaak ik niet ‘s ochtends voor 09.00 uur al hé-lé-maal klaar was met de dag omdat allebei mijn Terroristen vanaf het moment dat de Nijntje wekkers afliepen al in de contramine gingen. Gewoon omdat het kon. Echt, je kunt nog beter luchtverkeersleider zijn op het vliegveld van Beijing dan moeder van twee kleine kinderen. Dan heb je minder stress.

Maar dan, dan zijn ze opeens geen baby’s meer. En ook geen peuters (nou ja, mijn tweede Terrorist officieel nog wel, maar qua gedrag is ze haar kalenderleeftijd ruim voorbij). En dan gaan ze inderdaad naar school. Dan kleden ze zichzelf aan en lig je ‘s nachts helemaal in je eentje wakker. Omdat zij opeens zijn gaan doorslapen. Dan vraag je in het weekend aan ze of je de Gruffalo zult voorlezen en of ze gezellig bij je schoot willen komen zitten. En plotseling kijken ze je dan aan alsof je gek bent. Omdat ze met hun Lego willen spelen. Zelf dus, zonder jou. Of omdat ze op hun kamer Suske & Wiske willen lezen. Op hun eigen zitzak en in alle rust. En dat je dan als moeder, eenzaam en verlaten, op de bank zit zonder kind op schoot. Tussen het verzameld werk van Annie M.G. Schmidt, waar opeens niemand meer naar wil luisteren. Terwijl jij vertwijfeld om je heen kijkt en je afvraagt hoe het kan dat je kinderen gisteren nog baby’s waren en vandaag opeens niet meer.

Ik had nooit gedacht dat ik het nog eens uit mijn eigen mond zou horen komen, maar ja, ik ga het nu dan toch maar zeggen: ik mis het. Ik mis het hebben van een baby. Van zo’n heel piepklein, warm lijfje op mijn borst. Van het wiegen van zo’n hulpeloos hoopje mens, midden in de nacht, als de wereld stil is. Ik mis het hebben van een dreumes. Van zo’n waggelende rolmops op veel te korte pootjes, die tot in den treure achter je aan loopt en iedere ochtend om 05.00 uur vindt dat de dag nu weleens beginnen mag. Ik mis het hebben van een peuter, zo’n eigenwijs stuk vreten die de raarste dingen zegt en in de supermarkt gaat liggen schuimbekken omdat ‘ie niet stante pede aan die familiezak Doritos mag beginnen (laatst zag ik weer zo’n verhitte moeder met een rood aangelopen peuter die de hele Lidl bij elkaar krijste en het enige wat ik dacht is: “Aaahhhww…”). Ja, de dingen die me nog niet eens zo lang geleden compleet tot wanhoop dreven, lijken nu opeens helemaal niet meer zo’n drama. Want dat is hoe het werkt: you don’t know what you’ve got, until it’s gone.

Ach, mijn Terroristen zijn zo mooi nu. En ze worden iedere dag alleen maar mooier, leuker, beter. Dus gelukkig is er ook weer zoveel nieuws om van te genieten. Dat ik echt gesprekken met ze kan voeren bijvoorbeeld en dat ze dan ook dingen terug zeggen die voor de verandering eens niet als de spreekwoordelijke lul op een drumstel slaan. Dat ik met mijn dochtertje kan gaan winkelen, zonder dat ik met klotsende oksels van de haast en stress de H&M leeg moet graaien zonder iets te passen. Of dat mijn zoon bezig is te leren schaken en dat hij als ik hem op school kom ophalen helemaal niet mee naar huis wil, omdat hij met zijn vriendjes iets ‘vet cools’ aan het doen is. Dat is prachtig om te zien. Ze gaan steeds meer op eigen benen staan, verwijderen zich iedere dag weer een klein stukje verder van mij, hun moeder. Ik ben steeds minder het middelpunt van hun universum. Dat is logisch en ook gewoon heel goed. Maar terwijl ik dat tot voor kort echt kon vervloeken is dat misschien wel hetgeen dat ik het meeste mis: mijn kinderen hebben mij steeds minder nodig.

Mijn Terroristen zijn pas 5 en 3 jaar oud, dus in principe zou je zeggen dat het voor mij als moeder nog wat vroeg is om last te krijgen van Empty Nest Syndrome. Maar ik denk toch dat er, aan de hand van mijn symptomatiek, weinig anders te concluderen valt. Want nu ben ik het, die zalvige moeder, die met vertederde blik staat te kijken naar die vrouw in de supermarkt, met twee van die hele kleintjes in haar winkelwagentje en een blik van pure paniek in haar ogen, omdat ze niet weet hoe snel ze weer thuis moet komen, voordat er iemand begint door te lekken of zich krijsend tussen de Nijntje-koekjes op de grond werpt. Die denkt: “Och, waren ze nog maar zo klein. Zo lekker hulpeloos en knuffelig.” En die naar die jonge moeder toe zou willen lopen en haar op het hart te willen drukken er nog even lekker van te genieten. Omdat het echt, inderdaad, zo ontzettend snel voorbij gaat.

Share

Onhandelbaar (deel 3)

Inmiddels sta ik naar alle waarschijnlijkheid bij menig pedagogisch medewerker, kleuterleidster en gemeente-ambtenaar te boek als De Horrormoeder. Dat viswijf met die veel te grote bek, die altijd overal commentaar op heeft en constant het laatste woord opeist. Een karakterisering die, moet ik toegeven, inderdaad wel een kern van waarheid bevat. Als ik die mensen was, had ik ook een pleurishekel aan mij gehad. Ik vind mezelf namelijk ook best wel een bitch. Maar, in mijn eigen verdediging: ik heb geen andere keus.

Toen mijn ex-manlief en ik na het gesprek op de buitenschoolse opvang van vorige week weer buiten stonden, zei hij tegen mij: “Wat was je weer hard, je moet daar toch echt een beetje op letten.” Mijn ex-manlief is namelijk een stuk zachtaardiger dan ik en hij vindt het dientengevolge soms een beetje gênant om samen met zijn ex-vrouw (aka: De Kenau) een stel nietsvermoedende stervelingen de les te lezen. Maar de afgelopen vijf jaar heb ik door schade en schande moeten leren dat zachte heelmeesters toch echt stinkende wonden maken. En ik weiger toe te staan dat mijn kwetsbare zoon gewond raakt. Een gevaar dat altijd op de loer ligt, als wij niet rigoureus vóór hem springen als hij dreigt te vallen doordat anderen hem pootje haken.

Ik vraag me zelf ook geregeld af, waarom ik het altijd beter weet. Want het is niet alsof ik vind dat ik zo slim ben. Maar toch blijkt keer op keer dat ik, wij, zélf de wijsheid dus in pacht hebben, ipv de zogenaamde professionals die we voor ons hebben. Want steeds opnieuw worden ons dingen verteld die we al heel lang weten, die op onze zoon niet van toepassing zijn of die zelfs gewoon pertinent onwaar zijn. En dat mogen wij dan maar weer rechttrekken, bestrijden, of verbeteren en daar moeten we dan meestentijds ook nog hemel en aarde voor bewegen, omdat we worden weggezet als leken, terwijl er, als het om ons kind gaat, helemaal niemand meer expertise heeft dan wij.

Wie een zorgintensief kind heeft zoals mijn zoon, ontstijgt al gauw degenen die ervoor geleerd hebben. Dat klinkt misschien heel arrogant, maar het is wel de realiteit. En dan is het vervolgens een oeverloze strijd tegen de bierkaai, want een papiertje van een onderwijsinstelling heeft nog altijd meer waarde dan de ervaring van de ouder die al jarenlang samenleeft met een autistisch kind, alles gelezen heeft wat maar los en vast zit en dientengevolge verworden is tot een ware autodidact op het gebied van de stoornis die zijn kind zo’n parten speelt. Maar serieus genomen word je desondanks toch niet. Je kunt lullen als de bekende Brugman, maar zolang je niet je stem verheft, is er geen professional die het de moeite waard vindt om te luisteren.

En dus zit er weinig anders op dan schreeuwen als een viswijf op de markt. Want wie een autistisch kind heeft, kan het zich niet veroorloven met de staart tussen de benen af te druipen en dus zit er niks anders op dan blaffen. En dreigend je tanden laten zien. Ik kan niet anders dan een bitch zijn, omdat mijn zoon anders weggepest wordt uit de samenleving, die geen geduld voor en vooral ook geen zin heeft in hem en zijn problemen. Als ik in de spiegel kijk, herken ik mezelf soms nauwelijks nog terug. Vijf jaar geleden was ik nog dat introverte meisje, stil en het liefst zo ver mogelijk op de achtergrond. Maar vijf jaar zorgintensief moederschap later is daar weinig meer van over. Nee, ik ben misschien niet meer zo aardig. Maar aardigheid, daar is helaas nog nooit een oorlog mee gewonnen.

Ik ben niet meer wie ik vroeger was en met de persoon die ik nu ben, maak ik bepaald niet altijd vrienden. Zijn autisme heeft me verhard, sceptisch gemaakt en intrinsiek wantrouwig. Dat zijn geen karaktereigenschappen om enthousiast over naar huis te schrijven. Maar het autisme van mijn zoon heeft vele nadelen, echter brengt het  niet alleen maar slechte dingen. Want: wat autisme ook heeft gedaan is mij krachtiger maken. De ‘zwakte’ van mijn zoon (en of het een zwakte is, daarover valt ook nog te discussiëren) heeft mij namelijk mijn sterkte gegeven. En die zal ik gebruiken om hem te beschermen. Zolang als hij dat nodig heeft.

Lees ook de vorige delen van ‘Onhandelbaar’:
Deel 1
Deel 2

Share

De beste stuurlui staan aan wal (deel 2)

Als mijn dochter langzaam bezig is om om te vallen, duurt het altijd even voordat wij dat in de gaten hebben. Zoiets gaat namelijk geleidelijk. Steeds een beetje minder eten, steeds een beetje minder slapen. Steeds een beetje meer zeuren, steeds een beetje meer huilen. Het sluipt erin, ongemerkt, zonder dat je het echt door hebt. Tot de bom plotseling opeens barst en je ‘s nachts met een grijzig meisje op je schoot zit. Een meisje dat huilt omdat ze zoveel buikpijn heeft. Dat moe is, omdat ze daar steeds maar slechter door gaat slapen. Een prikkelbaar en recalcitrant meisje, waarvan je opeens begrijpt waarom ze de laatste tijd zo anders is. Want natuurlijk, mijn kind heeft weer eens pijn.

Je mailt de kinderarts, die inmiddels voelt als een soort huisvriend en hij belt dezelfde dag nog op. We praten met elkaar, maken af en toe zelfs een grapje. Bespreken alles wat er in de afgelopen drie jaar is gebeurd nog maar eens opnieuw. En weten dan gewoon weer niet welke conclusie we moeten trekken en waar we nu weer eens goed aan doen. De medicatie nog een stuk omhoog? Of anders toch maar weer een opname? De zoveelste echo van de buik? Of nu toch maar een MRI? Echter, dan is er die narcose en de risico’s die daarmee gepaard gaan. Een endoscopie dan? Maar ja, de kans is klein dat samen met dat slangetje ook het gouden ei naar buiten komt. En wat als we dan ondertussen wel haar darmen perforeren? Het zijn duivelse dilemma’s en ik weet gewoon, zoals altijd, niet welke keus de juiste is.

Het vreemde is dat heel veel mensen dat wél lijken te weten. Mensen die niet naast ons staan in dit proces. Die niet naast mijn dochters bedje hebben gezeten in het ziekenhuis, mensen die niet samen met mij hebben gehuild tegen weer een nieuwe witte jas. Mensen die zelf geen ziek kindje hebben en die ook nog nooit op de wieken van de medische molen hebben meegedraaid. Niet weten hoe die wereld werkt, niet weten hoe het is om telkens weer een risicobepaling te moeten maken aangaande het leven van je eigen kind. Mensen die de klok wel ergens hebben horen luiden, maar daarmee toch nog steeds niet weten waar de klepel hangt.

“Ik had het heel anders gedaan” blies iemand laatst tegen mij heel hoog van de toren, “Als het mijn kind was geweest, had ik al lang een diagnose gehad.” Ik liet me namelijk best wel een beetje piepelen, vond deze persoon. Als het aan deze wijsgeer had gelegen, had hij zijn kind gewoonweg even laten opensnijden om te kijken hoe de vlag er daar van binnen bij hing. Of hij had haar al minstens drie keer door die MRI scanner gehaald, want echt wel dat hij dat stelletje arrogante stethoscopendragers weleens een poepie had laten ruiken. Maar ja, ik moest het zelf maar weten. Hij hoopte in ieder geval maar dat ik mezelf nog recht in de spreekwoordelijke spiegel aan kan kijken, als mijn dochter toch een keer het leven laat en dan blijkt dat ik er inderdaad te weinig aan gedaan heb. Dat ik het maar even weet.

Jaja, de beste stuurlui staan tenslotte, zoals altijd eigenlijk, weer eens aan wal. Ik blijf me er keer op keer weer over verbazen. Hoe mensen die alleen iets van horen zeggen hebben, altijd precies weten wat de beste weg is om te bewandelen. Terwijl ze zelf nog niet eens een halve stap die weg zijn ingeslagen. Want inderdaad, wat een lapzwanserige ouder ben ik, dat ik niet eens durf te spelen met het lichaam en het leven van mijn peuterdochter. Wat een besluiteloos mietje ben ik, dat ik bang ben voor de reële risico’s waaraan ik mijn kind onderwerp, zonder dat zij daar zelf iets over te zeggen heeft. Wat heb ik weinig ruggengraat, als ik na drie jaar ontzettend vervelende en pijnlijke onderzoeken, mijn kind niet nog eens een rondje érger door de mangel wil halen. Tja, dan is het ook mijn eigen schuld als het straks echt een keer goed misgaat, hoor. Wie zich brandt moet op de blaren zitten.

Ik kan natuurlijk heel erg boos worden, maar misschien heeft dat eigenlijk weinig zin. Misschien is het beter om te glimlachen en de criticasters met hun vermeende waarheid en hun zelftoegedichte wijsheid deze, ergens toch wel enigszins vertederende, naïviteit te gunnen. En blij te zijn voor diegenen, omdat zij godzijdank niet hebben moeten doorstaan wat wij hebben moeten meemaken en dus de mogelijkheid hebben om zich te wentelen in de veronderstelling dat het allemaal zo makkelijk en vooral ook, zo zwart-wit is. Wat moet het heerlijk zijn om dat leven te kunnen leiden, om niet in slaap te hoeven vallen met dat Zwaard van Damocles boven je hoofd, hopend dat je weer een ochtend wakker mag worden, zonder dat het nu dan echt gevallen is. Het is de luxe van degenen die de staatsloterij van het leven hebben geworden en zo iemand kan er tenslotte ook niks aan doen dat ik niet bij het winnaarsgilde hoor.

Maar ik zal een goede verliezer zijn en, in plaats van rancuneus, grootmoedig zijn. Het is jullie gegund, gefortuneerden van het leven, gaat heen en geniet er vooral maar lekker van. Dan neem ik ondertussen mijn gebrekkige, maar ontzettend lieve dochtertje op schoot en wacht samen met haar en onze goede vriend de kinderarts tot zij ook dit keer weer het hoofd biedt aan wat haar steeds zo dwars zit. Want weet je, jullie mogen dan rinkelend van de geluksdukaten door het leven gaan, mijn gemankeerd bestaan heeft mij inmiddels ook wel het één en ander van waarde opgeleverd. Compassie bijvoorbeeld en genuanceerdheid. Onbevooroordeeldheid naar anderen en dankbaarheid voor de dingen die ik wél heb. Zoals dat hele mooie kleine meisje bijvoorbeeld. Die, op het moment dat zij in die spreekwoordelijke spiegel van jou kijkt, altijd achter zich haar moeder zal zien staan. Dus ja, ik kan mijn eigen reflectie eigenlijk best wel goed waarderen. Maak je maar niet ongerust.

Share

Onhandelbaar (deel 2)

“Zo, nou, ik wil maar beginnen met te zeggen dat dit echt geen heel spannend gesprek wordt, hoor. Het is vooral de bedoeling om elkaar tegemoet te komen.” Hij is duidelijk in de veronderstelling een luchtige toon te zetten, de vestigingsmanager van de buitenschoolse opvang. Ik trek een wenkbrauw op, sla mijn armen over elkaar en kijk hem afwachtend aan. Zwijgend. Naast me knikt ex-manlief. Ook in stilte. De vestigingsmanager ritselt nerveuzig met zijn papieren, kijkt de groepsleidster die naast hem zit even vragend aan. En knalt er dan uit: “Ja, dus eh… Ik begrijp dat jullie gescheiden zijn. Hoe lang al?”. “Ik zie niet in wat de relevantie daarvan is voor dit gesprek” bijt ik hem toe. Hij loopt rood aan. “Ja nou ja, ik probeer alleen maar een beeld van jullie privé-situatie te krijgen” mompelt hij. “Ik geloof niet dat u dat iets aangaat” zeg ik. Als de grond open had kunnen splijten had hij er nu graag doorheen willen zakken. Inwendig lach ik. Hij heeft duidelijk geen idee wie hij voor zich heeft.

Er wordt gevraagd hoe onze zoon zich thuis gedraagt. Ex-manlief en ik vertellen dat hij het prima doet. Dat hij vrolijk is, lief en meestentijds rustig en goed aanspreekbaar. Dat alles op rolletjes loopt. Want zo is het. De vestigingsmanager en de leidster wisselen blikken uit. “Maar wij zien ander gedrag” wordt er gezegd. “Toch gek. Waar denken jullie dat dat dan aan ligt?” Ik wacht even voordat ik me licht voorover buig over de tafel. “Nou…” begin ik, “Misschien…heel misschien…zou het eraan kunnen liggen dat hij autistisch is. Zou dat een mogelijkheid zijn, denkt u?”. Het sarcasme druipt samen met mijn woorden op tafel. Hij plukt aan zijn geruite overhemd. “Jaaa…” stamelt hij, “Ja, nee, inderdaad, daar zit wel wat in, hè…?” Weer wachten we af, laten hem spartelen. “Maar eh…nou ja, dat is best lastig, vinden jullie niet?” als een kwijlende puppy kijkt hij ons aan. Ik schiet in de lach. Best lastig? No shit, Sherlock.

Ik neem het gesprek over, want voor dit soort geneuzel heb ik geen zin en ook geen tijd. De afgelopen vijf jaar heb ik genoeg rondetafelgesprekken gevoerd met zogenaamd pedagogisch onderlegde personen die denken verstand te hebben van kinderen. Helaas blijkt dat negen van de tien keer een grof geval van zelfoverschatting. Als ik aangeef het niet op prijs te stellen dat er in het bijzijn van mijn 5-jarige zoon gezegd wordt dat het ‘weer eens niks was vandaag’, dat hij ‘een onhandelbaar joch’ is, of dat ik hem mee naar huis moet nemen zonder tanden, omdat een stel pré-puberale blagen niet verteld wordt dat je geen autistische kleuters tegen de grond slaat, piept de groepsleidster dat ze zich ‘daar helemaal niet in herkent’. Ik zeg dat ik snap dat het lastig is om Oost-Indisch doof te zijn voor wat er uit je eigen mond komt, maar dat mijn buizen van Eustachius in ieder geval prima werken en ik dus heel goed weet wat ik heb gehoord. Ex-manlief valt me bij en zegt dat hij dezelfde ervaringen heeft. De vestigingsmanager kijkt haar verward aan en roept vervolgens dat dat ‘toch echt niet de bedoeling kan zijn’. Als een geslagen hond trekt ze zich terug en mompelt dat ze ‘dan wel haar excuses aanbiedt’, maar dat ze toevallig heel veel ervaring heeft met kinderen. En ik kan het niet helpen me af te vragen hoeveel van onze belastingcenten er straks weggesluisd wordt naar jeugdpsychiaters die de rokende puinhopen van deze ervaringsdeskundige mogen opruimen.

Er wordt een psychologisch profiel van onze zoon op ons afgeslingerd, opgemaakt door een ‘pedagogisch coach’, dat niks anders doet dan het beschrijven van: een kind met autisme. Deze assessment wordt vol trots gepresenteerd, maar mijn opmerking dat ik ze precies dezelfde analyse een half jaar geleden bij de intake ook al heb gegeven, doet hun triomfantelijke stemming toch enigszins inkakken. “Mevrouw, ik kan niet anders dan concluderen dat u enigszins geërgerd bent” kwaakt de vestigingsmanager vervolgens wanhopig. Wederom een vlijmscherpe analyse van mijn geruite vriend, die en passant ook nog even in de groep gooit dat hij ‘trouwens ook ontwikkelingspsycholoog is’. Tja. Ik ben trouwens tekstschrijver. Wat mij betreft in de context van dit gesprek een aanvulling van even zwaarwegende importantie. Voornamelijk weinig dus.

Na twee uur praten kunnen de twee tegenover ons weinig anders dan vermoeid en met klotsende oksels hun wonden likken en tot de beschamende conclusie komen dat ze in grote mate onderschat hebben wat het betekent om een autistisch kind te begeleiden. Dat het weliswaar moeilijk is en dat dat ook heel logisch en geoorloofd is, maar dat ze niet die stoornis, dat autisme, maar hemzélf, een klein onschuldig kind, als een last zijn gaan zien. Door hun eigen onkunde, kortzichtigheid en onverdraagzaamheid. Ondanks onze uitgebreide uitleg, waarschuwingen en vragen of ze wel zeker wisten waar ze aan begonnen. Hoofdschuddend verlaten we de opvang en kijken elkaar op straat even meewarig aan. We denken allebei hetzelfde: deze maatschappij is niet toegerust om kinderen zoals onze zoon te geven wat ze nodig hebben. Het is de droevige conclusie die we keer op keer moeten trekken. Inmiddels vijf jaar zijn we bezig voor hem te vechten en een gevecht zal het blijkbaar altijd blijven. “We kunnen de touwtjes nooit een beetje laten vieren” zegt ex-manlief en ik weet dat hij gelijk heeft. We zullen het altijd zelf moeten blijven doen. Omdat de wereld er geen zin in heeft. Geen zin heeft in mijn zoon.

Het is een verdrietige realiteit, ik kan niet anders zeggen. En ik heb medelijden met mijn jongetje, omdat hij dit gewoonweg niet verdient. Maar hij heeft in ieder geval nog één gelukje, één voordeel aan zijn kant. En dat zijn wij. Zijn vader en zijn moeder. Die zijn hand gewoon wel altijd vast blijven houden, omdat er blijkbaar weinig andere mensen zijn die hem nog meer de hunne willen reiken. Maar gelukkig ligt dat handje stevig in de mijne. Daarmee weet hij zeker dat het goed komt. Want: kom niet aan mijn kind. Dan kom je namelijk ook aan mij. En ik denk dat de ontwikkelingspsycholoog en zijn pedagogische sidekick je met recht kunnen vertellen: daar breekt het klamme zweet je echt van uit.

Share

Nieuw begin

Als ik op de eerste dag van 2016 ‘s ochtends met mijn Terroristen over straat loop, is het stil. Het is koud en mistig, maar tussen de nevelige flarden breekt de zon al door en kunnen we de blauwe lucht erboven zien. Er fluiten vogeltjes en daardoor voelt het lente-achtig. Fris, schoon, als de onbeschreven bladzijden van een heel nieuw dagboek. Mijn dochter huppelt vrolijk aan mijn hand en mijn zoon kletst honderduit over het vuurwerk dat hij gisteravond gezien heeft. En de kinderchampagne die hij gedronken heeft, waardoor hij zich heel groot voelde. Ik glimlach en haal diep adem, de knisperige januarilucht vult mijn longen. Ik breng mijn kinderen naar hun vader, na een hele fijne afsluiting van het jaar 2015, het jaar waarin alles 180 graden draaide. En ik voel nu: het is goed zo.

Toen we er middenin zaten, leek het alsof er aan vorig jaar nooit een einde kwam, maar nu we het dan achter ons hebben gelaten, kan ik niet geloven hoe ontzettend snel het is gegaan. Hoe ongelooflijk veel er met ons gebeurd is en vooral ook: dat we gewoon nog overeind staan. En dat geldt niet alleen voor ons, maar wat mij betreft eigenlijk voor heel de wereld, want als ik erop terugkijk, was 2015 wat mij betreft best wel een rampenjaar. Misschien komt het omdat mijn persoonlijke ervaringen behoorlijk zwart gekleurd zijn, maar de hoeveelheid rampspoed en ellende die ons als wereldburgers met z’n allen ten deel heeft moeten vallen, is wat mij betreft echt niet voor herhaling vatbaar. Ik haal dan ook opgelucht adem dat 2015 inmiddels achter ons ligt en heb geheel en al niet de behoefte om nog eens een nostalgisch om te kijken.

Als ik dan een verzoek mag doen, aan degenen die over het lot van dit fonkelnieuwe jaar beslissen, zullen we het in 2016 dan alsjeblieft gewoon gezellig houden? Dus dat er niet meer zoveel mensen doodgaan, niemand meer de behoefte voelt een bomgordel om te gespen en geen kleine kinderen meer aan hoeven te spoelen op Europese stranden? Mag ik met jullie afspreken dat we dit jaar allemaal eens aardig tegen elkaar gaan doen? Elkaar eens wat meer zullen helpen, de hand reiken, niet veroordelen om wie we zijn en wat we doen en oh ja, een jaartje geen natuurrampen zou ook leuk zijn, als het even kan. Dat maakt zo’n jaar gewoon zoveel mooier, als we niet zoveel tranen hoeven laten, niet steeds maar zo boos op elkaar hoeven te zijn, of hoeven te vrezen voor ons leven. Dus zullen we dat dit jaar daarom gewoon maar achterwege laten? Dat lijkt me eigenlijk niet eens zoveel gevraagd.

2015 Gaat wat mij betreft de boeken in als een jaar dat we vooral niet over hoeven doen, dus ik ben blij dat de zon over die 365 dagen eindelijk onder is gegaan. 2016 Betekent een nieuwe ronde en dus ook nieuwe kansen en ik ben van plan die met beide handen aan te grijpen. Mijn twee Terroristen en ik, wij gaan weer bouwen, bouwen aan een nieuw en beter leven. Met de eerste zon van 2016 in ons gezicht lopen we door de stille straten, hand in hand en vooral: vol goede moed. Bijna een jaar nadat ons vertrouwde leven onder onze voeten weggeslagen werd en we dachten dat die tunnel gewoon altijd donker bleef, knipperen we opeens met onze ogen en zien we nu eindelijk toch de eerste streepjes licht.

Als mijn kinderen in de armen van hun vader zijn gevallen en hij en ik elkaar omhelsd hebben en het allerbeste hebben toegewenst, loop ik weer naar huis. Alleen. Dat blijft moeilijk, maar langzaam went het ook. Is het goed zo. Mijn voetstappen weerkaatsen in de ochtendstilte, mijn gezicht gestreeld door de frisse lucht van een nieuw jaar, een nieuw begin. Een eerste ochtend, met zon en vogeltjes die fluiten alsof het lente is. Ik beschouw het gewoon maar als een teken. Een teken dat 2016 een beter jaar wordt, voor mij, voor mijn Terroristen, voor mijn ex-manlief, maar vooral ook voor de wereld. Omdat ik vind dat we dat allemaal verdienen.

En als de avond dan valt, over de eerste dag van 2016, leg ik mijn hand in de zijne. De hand van degene met wie ik dit nieuwe jaar inloop en die, in de nasleep van 2015, al eventjes naast me heeft gestaan. This too shall pass, heb ik het afgelopen jaar met regelmaat tegen mezelf gezegd. En inderdaad, het station 2015 zijn we nu dan eindelijk gepasseerd. Laten we dus verder rijden en genieten van het uitzicht onderweg, want ik hoop, weet, dat dat mooier is dan wat we de afgelopen tijd hebben gezien. Dag 2015, hallo 2016, de lei is weer schoon. Wat mij betreft beschrijven we hem dit jaar alleen met hele goede dingen. Afgesproken?

Gelukkig nieuwjaar.

Share