Stil

Het is zondagochtend als er een streep zonlicht over mijn gezicht valt. Ik open mijn ogen en zie onder het gordijn van mijn slaapkamerraam door een baan blauwe lucht. Mooi weer, een zonnige oktoberdag. Ik ga overeind zitten, pak mijn telefoon om te kijken hoe laat het is. Verbaasd staar ik naar de tijd op het schermpje. Half elf. Ik kan me niet eens meer herinneren hoe lang het geleden is dat ik zo lang geslapen heb. Tot half elf in bed op zondagochtend. Dat is iets voor pubers. Of studenten. Mensen zonder kinderen Of voor gescheiden moeders met co-ouderschap blijkbaar. Die eerste drie groepen zouden waarschijnlijk nu uitgerust en vrolijk hun bed uit springen om koffie te zetten en aan hun dag (of wat daar nog van over is) te beginnen. Maar ik, die gescheiden co-ouder, zak terug in mijn kussens met hoofdpijn van mijn plotselinge slaapoverschot. Met hoofdpijn van de stilte in mijn huis.

Want van beneden komt geen geluid. Geen kleine meisjesstem die verontwaardigd voor dag en dag commandeert dat ze op wil staan. Dat het ochtend is, ook al is het buiten nog pikdonker. Geen zelfverzonnen liedjes van een 4-jarig jongetje dat in zijn bed ligt te wachten tot ik hem kom halen. Van beneden komt alleen maar stilte. Als ik de trap af loop in mijn pyjama, zie ik meteen die lege bedjes. Matrasjes zonder lakentjes, dekbedjes zonder overtrek. Omdat die in de wasmand liggen, aangezien de Terroristen er niet zijn. Want het is niet ‘mijn week’. Twee dagen geleden zijn ze naar mijn ex-manlief vertrokken, omdat het nu ‘zijn week’ is. Week op, week af. Eén week drukte, één week rust. Eén week geluid, één week stilte. Eén week samen, eén week alleen. Om de week eenzaam. Want opeens ben ik nu co-ouder.

“Goh, toch ook wel lekker, hè?”, zei iemand laatst, “Heb je eigenlijk om de week een weekje vrij”. Tja, zo kun je het ook zien natuurlijk. En het is waar: om de week hoef je opeens niet te zorgen. Geen boterhammen met pindakaas te smeren, geen snotneuzen te snuiten. Niet midden in de nacht je bed uit omdat weer één van de twee een knuffel of een speen kwijt is. Om de week kan ik doen wat ik zelf wil. Uitslapen dus bijvoorbeeld. Of overwerken tot acht uur ‘s avonds. Omdat ik niet naar het kinderdagverblijf hoef om twee vermoeide kindjes op te halen die dan juichend in mijn armen springen. Thuis kom in een rustig huis en pas om middernacht naar bed kan gaan, omdat ik opeens gegarandeerd kan doorslapen. En ja natuurlijk, dat is best wel lekker. Maar, weekje ‘vrij’, zo voelt het niet. Want ook al houd ik heel erg van mijn rust, als je kinderen ‘s avonds opeens niet meer in hun eigen bedjes liggen, blijft dat vakantiegevoel toch een beetje achterwege.

Soms word ik midden in nacht wakker, zwetend en doodongerust. Omdat ik me zorgen maak om mijn zoon en om mijn dochter en om wat er met ze kan gebeuren als ik niet bij ze ben. Niet omdat ik mijn ex-manlief niet vertrouw, want hij is een meer dan goede vader. Maar gewoon, omdat ik mijn kindjes opeens niet bij me heb. Dat hoort niet zo, voelt onnatuurlijk voor een moeder. Zelfs voor een moeder zoals ik, die haar eigen kinderen ‘de Terroristen’ noemt en toch wel een beetje van het ontaarde soort is. Maar die lege bedjes, stille kamertjes, dat voelt iedere keer weer alsof een deel van mezelf opeens verdwenen is. Om de week voelt het alsof op de operatietafel een deel van mij is weggesneden. Alsof ik wakker wordt en plotseling niet meer compleet ben. Want een moeder zonder kinderen, is een geamputeerde moeder.

Op die mooie zondag in oktober, die dag dat ik pas wakker werd toen het al bijna middag was, ga ik naar het strand. In mijn eentje, zonder kinderen. Omdat ik geen zin heb om weer in dat stille huis te zitten en te luisteren naar de afwezigheid van de stemmetjes die ik zo mis. Dan laat ik die stilte liever overstemmen door het ruisen van de golven in de branding, omdat ik het gemis dan niet zo heel hard hoor. Ik loop alleen over het strand als ik die middag de herfstzon in de zee zie zakken. Alleen, terwijl overal om mij heen de gezinnen samen hun vliegers opvouwen en hand in hand weer huiswaarts gaan. Maar ik rechtsomkeert moet maken zonder kleine handjes in de mijne. En denk aan mijn kindjes die nu bij hun vader zijn. Tel de dagen af tot het weer ‘mijn week’ is. In de hoop dat ze mij ook een beetje missen.

Share

Met de vlam in de pijp (deel 4)

“Nou, ik zou zeggen: neem plaats!”. Mijn nieuwe rij-instructeur wijst uitnodigend naar de glimmend rode Honda op de parkeerplaats in de vinexwijk waar zijn rijschool gevestigd is. Inderdaad: nieuwe ronde, nieuwe kansen. Nu ik mij vijf dagen per week in de Randstad bevindt om te werken, moet ik daar logischerwijs ook maar leren rijden. Dus, na een paar zalige autoluwe weken, ga ik nu weer de weg op. De heel erg drukke, Randstedelijke weg. Waar gemiddeld drie verschillende soorten stoplichten op één kruispunt staan. Die allemaal op een ander moment beginnen te knipperen. Waar er bussen, fietsers, appende moeders met kinderwagens en nerds van middelbare leeftijd op SegWays (een kleine dwarsstraat: voor het stijltechnisch aangezicht van het straatbeeld, pleit ik voor het verbieden van die dingen) dwars door elkaar krioelen. En waarop ik dientengevolge dus stiekem al een kleine nervous breakdown krijg voor ik goed en wel gas heb gegeven.

Mijn nieuwe lesauto is zeker twee keer zo groot als het kleine Achterhoekse koekblikje waar ik de afgelopen maanden in gelest heb. En beschikt daarnaast over een übermodern dashboard, met allemaal knopjes en lichtjes waarvan het doel mij volledig ontgaat. Als naast mij opeens een zoemend geluid klinkt en er fluorescerend blauw licht uit mijn stuur schiet, vraag ik me ernstig af of ik een auto, of een Starfighter moet leren besturen. Misschien had ik de Jedi lightsaber van mijn zoon mee moeten nemen voor het optimale effect. De lichtshow blijkt echter niks anders te zijn dan het instellen van de zijspiegels. Blijkbaar doen voertuigen in het Westen alles met grootse gebaren. Je bent tenslotte een Randstedelijke auto, of je bent het niet. Verschil met die boerenbakken moet er wezen.

De instructeur begint meteen honderduit te praten. Relaxed strekt hij zijn benen uit. Dat kan in deze auto, want blijkbaar hebben alle bijrijders in het westen des lands benen van 1.80 meter. Hij draagt glimmende puntschoenen en iets wat eruit ziet als een kashmieren broek, gemaakt van wol van vrije uitloopschapen. Dat is even schakelen als je gewend bent naast iemand in een t-shirt met vlekken en een Wrangler spijkerbroek van het model dat ze alleen in ontwikkelingslanden nog gratis uitdelen, te zitten. “Zooo, dus jij bent zo’n bakfietsend Vinexvrouwtje?” zegt hij, “Leuk, hoor. Gezellig”. Verbijsterd staar ik hem aan en rij daarbij bijna de busbaan op. Vinexvrouwtje? Is dat überhaupt een woord? En niet gewoon een vorm van discriminatie? Of op z’n minst seksisme? En hoezo rijdt er hier een bus midden op de weg? Wie heeft bedacht dat dat handig is? Hobbelend stuur ik het uit de kluiten gewassen kersenrode vehicle over diverse stoepjes om weer ergens te komen waar ik daadwerkelijk mag rijden. “Hoeveel lessen had je gehad, zei je?” klinkt het naast me en ik zie hoe zijn hand zich om de greep boven het raampje klemt en zijn knokkels langzaam wit worden.

In de twee uur die daar op volgen ervaar ik eindelijk hoe mijn autistische zoon zich iedere dag moet voelen. Van autorijden in de Randstad raak je namelijk gegarandeerd chronisch overprikkeld. Ik was in de veronderstelling dat ik het bestuurdersschap, na 25 lessen in de Achterhoek, inmiddels redelijk onder de knie had. Dat blijkt echter een grof geval van zelfoverschatting. Minstens drie fietsers lopen door mijn toedoen een klein trauma op, om over de veelvuldig overstekende konijnen (zoveel wildlife heb ik in die anderhalf jaar Achterhoek niet eens gezien) nog maar niet te spreken. Mijn instructeur vraagt zeker vijf keer verbouwereerd of het principe van kijken bij plattelands-CBR’s soms geen onderdeel van het examen is en moet me een keer op een parkeerplaats stil zetten om uit te leggen dat het weliswaar begrijpelijk is dat ik gefrustreerd ben geraakt van het in de Achterhoek constant achter een tractor vast komen te zitten, maar dat inhalen over een doorgetrokken streep hier dus gewoon echt niet mag. Stelletje Randstedelijke mierenneukers.

Ik vrees dus dat ik gewoon weer overnieuw kan beginnen. Want blijkbaar zou de gemiddelde grootstedelijke driewielerende nieuwbouwkleuter nog eerder verantwoord de snelweg op kunnen dan iemand met Achterhoekse stuurmanskunsten. “Ja, nou, ik denk dat we nog maar wel een lesje of wat moeten doen, vind je niet?” oppert de instructeur voorzichtig nadat ik de auto uiteindelijk dwars over drie parkeerplekken in de eerder genoemde vinexwijk heb neergezet. Ik knik en pen mistroostig mijn IBAN-nummer op het lescontract dat hij me onder mijn neus schuift. “Kop op meid, komt wel goed” steekt hij me een hart onder de riem, maar de angstzweetplekken van zijn klotsende oksels in zijn van organische hennep geweven overhemd zijn niet te missen. Weet je wat, ik koop toch maar gewoon zo’n bakfiets. Daar heb ik geen papiertje voor nodig. Weliswaar kost zo’n ding een klein fortuin, maar, in mijn geval, waarschijnlijk ongeveer net zoveel als een rijbewijs. En blijkbaar zie ik er toch al uit als een Vinex-vrouwtje.

Share

Autistje veilen

Een vriendin van mij vertelde laatste dat haar zus met de handen in het haar zit. De school van haar zoontje moet namelijk opeens sluiten. Want er is geen geld meer en dus moeten de leerlingen binnenkort ergens anders naartoe. Maar het jongetje in kwestie is er niet zomaar eentje. Hij heeft namelijk PDD-NOS en daarnaast ook nog ADHD, dus hij komt met een gebruiksaanwijzing. Op zijn oude school kenden ze de handleiding heel goed uit hun hoofd en ging het met hem dus allemaal gestaag. Ups en downs, dat wel, maar toch wel overwegend goed. En hij zat er op zijn plek. Maar nu wordt die plek onder zijn kleine voeten vandaan getrokken en staat dit speciale jongetje moederziel alleen, met zijn rugzak op de straat. Want opeens wil niemand hem meer hebben. Plotseling is hij vogelvrij.

Want sinds het Passend Onderwijs is in gegaan, wordt er schaamteloos geschoven met de zorgenkindjes in ons land. Als pionnetjes worden ze in het mijnenveld van het onderwijs geplaatst en iedereen loopt er met een grote boog omheen. Want het ontploffingsgevaar is groot. Scholen hebben zogenaamd een ‘zorgplicht’, maar komen die plicht helaas in veel gevallen helemaal niet na. Niet eens zozeer omdat ze zich eens even lekker makkelijk van hun nieuw verworven verantwoordelijkheid af willen maken, maar gewoon omdat ze niet weten wat ze ermee aan moeten. Negen van de tien scholen schrijven de probleemkinderen niet eens in, als ze door hun ouders worden aangemeld. Omdat ze zo schrikken van de duimendikke dossiers die op hun deurmat vallen, dat ze spontaan een aanval van handelingsverlegenheid ontwikkelen. En het kind in kwestie dus maar snel ergens anders over de drempel duwen.

Ouders moeten op het matje komen, om uit te leggen waarom hun kind meer nodig heeft dan de rest. Om vervolgens nul op het rekest te krijgen en met hun ‘Leipe Loetje’ aan de hand een deurtje verder weg worden gebonjourd, waar het hele circus gewoon weer helemaal opnieuw begint. Schoolleidingen zijn zich van geen kwaad bewust en in de veronderstelling dat ze enorm goed bezig zijn met Passend Onderwijs, terwijl niets dus minder waar is. Want leerlingen mogen helemaal niet geweigerd worden. Ook niet als ze door de gangen stuiteren van de ADHD, scheel zien van de dyslexie, of enorm Rain Man-achtig op het zogenaamde ‘autistisch spectrum’ zitten. Schrijven ouders hun zorgenkindje ergens in, dan moet de school er echt mee aan de slag. De poorten sluiten is wettelijk verboden. Ook als daar een vreemde eend in de bijt op staat te kloppen.

Sander Dekker staat ondertussen achter de ophaalbrug zijn schouders op te halen. Want hij hoort de ijle hulpkreten die over de slotgracht zweven gek genoeg niet zo goed. We moeten gewoon een beetje meer geduld hebben, volgens de staatssecretaris, want het Passend Onderwijs staat nog maar in de kinderschoenen. En ieder kind heeft tenslotte last van groeipijnen. Dat zouden wij als ouders toch zeker wel moeten weten? Maar dat is allemaal leuk en aardig, meneer Dekker, echter als het gaat om kinderen, kan het Passend Onderwijs zich helaas geen puberteit veroorloven. Want als we nu niet oppassen, beste Sander, dan worden die groeipijnen die onze zorgenkindjes toch inderdaad al hebben, straks nog chronischer dan ze nu al zijn. En daar valt dan echt niet meer overheen te groeien.

Zorgenkindjes in de aanbieding, wie biedt, wie gaat er met de beste deal naar huis? We hebben er genoeg, in alle soorten en in alle maten, dus wees er snel bij, Nederlandse scholen, dan pik je misschien de krenten nog een beetje uit de pap. En valt de aankoop toch wat tegen, dan kan er altijd nog geruild worden. Jij de autist eventjes proberen? Dan neem ik die met dyslexie. Ze zijn tenslotte toch al in de uitverkoop, dus als het niet bevalt, is het geen ramp. Je doet ze gewoonweg van de hand. Want als jij die schoen niet helemaal goed past, is er vast wel ergens iemand anders die hem aan kan. Toch?

Hoe lang mag adolescentie duren, als de puberperikelen de spuigaten beginnen uit te lopen? De zorgenkindjes gaan van hand tot hand, net zoals grote liefdes onder tienermeisjes. En zeg nou zelf, beste mijnheer Dekker, u zou toch ook niet staan te te springen als u toe moest kijken hoe uw dochter steeds maar in de armen van de verkeerde valt? Dus waarom is dat met al die zorgleerlingen dan opeens geen probleem? Zo langzamerhand zouden die akelige witte kopjes op de puisten van het Passend Onderwijs weleens uitgeknepen mogen worden, ik denk dat er nu wel genoeg gepuberd is. Want dat aan ons ouders zo beloofde perzikhuidje dat er onder dat pokdalige gelaat zit, zou ik nu toch best weleens een keertje willen zien.

Share

Kruispunt

Het was een prachtige dag in januari, toen ik in een klein ivoorkleurig jurkje richting het spreekwoordelijke altaar liep. Hand in hand met mijn natuurkundige, over de Suskindbrug in Amsterdam, onder een strakblauwe hemel, met onder onze voeten een dikke laag spierwitte sneeuw die de stad in stilte hulde. Een boeket rode rozen in mijn ene hand en de vingers van de man met wie ik mijn leven zou gaan delen vervlochten in de andere. Ik gaf mijn ja-woord stralend, met zekerheid en vol verwachting. Verwachting over het leven dat aan onze voeten lag. Want laten we eerlijk zijn, wie denkt er, op het moment dat die ring om je vinger geschoven wordt, dat het misschien wel niet zal werken? Dat je, ettelijke jaren later, diezelfde ring met tranen in je ogen van je vinger laat glijden en hem opbergt in een doosje, samen met het leven wat je dacht te zullen hebben? Niemand denkt dat. Want op dat moment, daar, voor het ‘altaar’, in de mooiste jurk die je ooit gedragen hebt, ben je waar je zijn wilt. Met al je hart en ziel. Natuurlijk. Op dat moment wel.

Mijn natuurkundige, mijn manlief en ik, wij zijn nu alleen niet meer op die plek. Op die plek waar we al die jaren geleden stonden. En waar we dachten te zullen blijven staan. Of van waar uit we in ieder geval dachten vanaf dat moment dezelfde kant op te zullen gaan. Samen, hand in hand. Na al die jaren gaan we echter niet langer meer dezelfde kant op en zullen onze wegen dientengevolge moeten scheiden. Hij gaat naar links en ik naar rechts, we zijn aangekomen op een kruispunt. Opnieuw geven we elkaar een hand, maar nu dan om gedag te zeggen. Omdat zijn afslag niet de mijne is. En mijn richting niet de zijne. Dat is verdrietig, want samen reizen is altijd veel gezelliger en niemand is erg graag alleen. Ik wil geen afscheid hoeven nemen van mijn reismaatje, maar soms blijkt eenmaal onderweg dat je allebei probeert een hele andere kant op te lopen. Uiteindelijk geraakt dan niemand op de plaats van de bestemming en blijf je steeds maar weer verdwalen. En even dolen is niet erg, maar uiteindelijk moet je toch die broodkruimels gaan volgen, om door de bomen het bos weer goed te kunnen zien.

Meer dan een jaar lang hebben een groot aantal mensen meegelezen op dit blog. Meegelopen op de weg die hij en ik bewandelden. Die samen met ons voor het eerst de sleutel in het slot van onze Achterhoekse hoeve staken. Die zagen hoe ik met de spetters op mijn neus de eerste muurtjes in de verf zette. Hoe we als ex-Amsterdammers onze intrek namen op het platteland. En hoe gelukkig we daar waren. Dus, misschien rijst nu de vraag: was het dan allemaal maar schijn? Een verhaal, misschien zelfs wel een leugen? Met mijn hand op mijn hart zeg ik daarom: nee. Nee, zeker niet. Het is met pijn in mijn hart dat ik nu afscheid neem van de man die jarenlang mijn manlief is geweest. De man die mij de twee mooiste cadeaus van mijn leven heeft gegeven. En met wie ik van Amsterdam, naar Amerika, naar de Achterhoek ben gegaan. Wiens hand ik vastgehouden heb op de Magere Brug, de Golden Gate Bridge, maar wiens hand ik nu loslaat in de Achterhoek. Niet omdat ik niet van hem houd, maar omdat het simpelweg niet anders kan. Want soms loopt het leven zo. En dat weet je gewoon niet van tevoren, als je voor dat altaar staat.

Een nieuw hoofdstuk. In mijn leven en dus ook op dit blog. Maar ook gewoon nog steeds met mijn Terroristen en alles wat daarbij komt kijken. Met aardbeien kweken, een beetje grasmaaien en noodgedwongen glutenvrije taarten bakken. Daarnaast ook gewoon nog steeds met mijn nimmer aflatende verbazing en verontwaardiging over de wereld om me heen en mijn niet zelden onomwonden meningen. En, natuurlijk, ook nog steeds met ex-manlief, want ook zonder ringen blijven we hand in hand staan. Ik houd van hem en hij van mij en dat zal nooit veranderen. Liever in vriendschap verbonden, dan in de echt, als dat eigenlijk gewoon niet meer kan. Nog steeds zullen we samen het hoofd moeten bieden aan het autisme van onze zoon, aan de gezondheidsproblemen van onze dochter. Gescheiden, ja. Maar toch ook heel erg samen. Conscious uncoupling, om maar even met Gwyneth Paltrow te spreken. Ja, we blijven stiekem wel een stelletje stadsyuppen natuurlijk. Dus ook scheiden doen we hip.

Omdat ik over alles altijd open ben geweest hier op dit blog, ben ik dat ook hierover. Dat kan niet altijd op waardering rekenen en dat is verder prima. Iedereen zijn mening en ik kan ondertussen best wat hebben. Maar toch wil ik jullie vragen: spaar mij en daarmee ons, in dit geval een beetje. Want hoewel wij, manlief, de kinderen en ik, elkaar nog steeds omhelzen, hebben we ook best veel pijn. En moeten we een beetje rouwen en ons leven en onszelf opnieuw weer uitvinden. Daar zijn we hard mee bezig en eigenlijk gaat dat best wel goed. Dus gun ons wat coulantie en een aai over onze bol. Ongezouten meningen, ik ben ervoor, echt waar. Maar zelfs ik zeg: there is a time and place for everything. Ja, ik leg zelf mijn leven enigszins op straat. Maar ga er dan nu eventjes niet bovenop staan, als dat kan. Ik zou het leuk vinden als je met ons mee blijft lopen, op het nieuwe pad dat wij nu gaan bewandelen. Want wie weet waar we uitkomen? Er zijn tenslotte vele wegen die naar Rome leiden. Dus laten we dan nu samen maar een nieuwe weg inslaan.

Share

Maakbaar

Laatst had ik een gesprek met iemand over het leven. Ik ga tenslotte richting de verkeerde kant van de dertig, dus dan krijg je last van filosofische aanvallen en ga je diepgaande gesprekken voeren met andere dertigers. De fase vóór de midlife crisis, zeg maar. Over vijf jaar koop ik een rode Porsche met open dak (als ik dan tenminste ein-de-lijk dat rijbewijs heb gehaald…), maar nu zit ik nog even in de voorbereidende ‘is dit alles?’ fase. Want, wat is er in vredesnaam met mijn leven gebeurd, vroeg ik aan mijn gesprekspartner. Hoe ben ik hier terecht gekomen? Met twee lieve, maar toch wel enigszins gemankeerde Terroristen en een enge sluipmoordenaar in mijn eigen hoofd, die me misschien over een tijd wel in een rolstoel zet? En hoe moet ik nu ooit nog bereiken, wat ik graag zou willen? Met mijn vermoeide hoofd in mijn handen, keek ik hem aan. Kom maar door met dat medelijden.

Wat volgde was een schouder ophalen. Want: “Het is maar wat je er zelf van maakt” was zijn mening. En mijn kaak lag op mijn enkels. Pardon? Hoezo? Wat ik er zelf van maak? Ik kan er toch zeker niks aan doen dat ik een kind heb met autisme en nog eentje met een lijfje dat niet meewerkt? En heb ik er soms voor gekozen om MS te krijgen? Nee toch zeker? Hoe moet je het leven dat je eigenlijk voor ogen had nog vormgeven, als je met zoveel rotzooi om je oren geslagen wordt? Dat is toch schier onmogelijk? Hij keek me aan, een geamuseerde glimlach om zijn mond, terwijl mijn ogen vuur schoten. Wachtte geduldig mijn woest relaas af, legde zijn hand heel even op de mijne. “Maar, wat wil je dan precies?” was toen de vraag en even werd het stil. “Nou” sputterde ik toen geïrriteerd, “schrijven natuurlijk. Dat is altijd zo geweest”. Weer die glimlach en een knikje naar mijn laptop. Want: “Je bent toch ook een schrijver, dus je hebt toch wat je wilt?”. En even was ik uit het veld geslagen.

Is het leven maakbaar? De persoon uit het gesprek is de mening toegedaan van wel. Dat is ook logisch, want hij is een zogenaamde ‘priviliged white male’, die het altijd behoorlijk voor de wind is gegaan. Omdat hij hard gewerkt heeft, dat is zeker waar, en dat dus in principe ook verdient. Maar: ook omdat het leven hem tot nu toe gunstig gezind is geweest. En dat is ook een stukje toeval. Sommige dingen kun je niet voorzien, hoe erg je ook je best doet. Ziekte, dood en andere ellende, het overkomt je en dan zit je er maar mee. Je slaat een weg in die je niet had willen nemen, maar de andere route is plotseling afgesloten en dus moet je toch dat ene pad bewandelen. Dat pad met al die kuilen in de weg, dat pad dat zoveel langer en bochtiger is dan de rechtstreekse route. Je weet wel waar je heen wilt, maar of je de plaats van bestemming nu nog wel bereikt, dat is opeens nog maar de vraag. Verwachtingen vervliegen, dromen moet je aanpassen. Daar moet je je bij neerleggen. Such is life, tenslotte. Toch?

Ik wilde altijd schrijver worden. Zo lang als ik me kan herinneren, heb ik dat gewild. Er niks anders dat mij roept, dan mijn hoofd te legen op papier. Verhalen te vertellen en te schilderen met woorden. Daar ben ik mee geboren en dat gaat nooit meer weg. Maar het leven heeft mij heel lang lamgeslagen, met autisme, ziekte en nog veel meer. En dus verdween ik langzaam naar de achtergrond van mijn eigen leven, leefde mijn leven mij, in plaats van ik mijn leven. En werd degene die ik ben en datgene wat ik eigenlijk wil, langzaam een schim van wat het ooit eens was geweest. Omdat ik dat liet gebeuren. Het is makkelijk te verzanden in onmogelijkheden en obstakels, te vergeten wie je bent en wat je kan. En vooral: te vergeten wat een kracht je hebt, als je gewoon gaat halen wat je hebben wilt, want dat, dat is de crux.

If you want it, come and claim it. Want echt, niemand anders komt het brengen. En dan opeens ligt de wereld toch weer aan je voeten. Anderhalf jaar geleden besloot ik mijn pen weer op te pakken, omdat het bloed toch altijd kruipt waar het niet gaan. En nu, eigenlijk zonder het me te realiseren, ben ik eindelijk geworden wat ik als klein meisje altijd al heb willen zijn: een schrijver. Of misschien beter gezegd: mezelf. Ondanks, of eigenlijk misschien wel dankzij, alle hordes die het leven voor mijn voeten heeft gelegd. Omdat ik me er niet door heb laten tegenhouden, er overheen gesprongen ben, omdat die weg rechtdoor, ook mét obstakels, toch nog altijd sneller is, dan de alternatieve route. En ik gewoon geen zin meer heb om ergens anders uit te komen, dan waar ik eigenlijk moet zijn.

Helemaal maakbaar is het leven niet. Want sommige dingen overkomen je en soms moet je dan weer even heel goed op de kaart kijken, voor je je weg weer kunt hervatten. Maar je komt er wel, als je maar stug door blijft lopen. En helaas, de één krijgt meer geluk toebedeeld dan de ander. Dat is oneerlijk, maar: what doesn’t kill you, makes you stronger. Hoe je omgaat met de dingen die je overkomen, dat bepaal je zelf. Dus ik draai nu de rollen om. Neem de regie over uit de handen van mijn leven en ga zelf de scepter zwaaien. Een beetje laat, maar ach, beter laat dan nooit tenslotte. Ja, mijn routeplanner doet het weer. Ik bewandel nu mijn eigen weg en ga halen wat ik hebben wil. Loop je met me mee?

Share

1 6 7 8 9 10 35