De anti-feminist

Onlangs ging ik met een vriendin uit eten. We zaten op het terras achter onze glazen rosé en ik luisterde gretig naar haar dating-avonturen. Zij is namelijk single, dus dan maak je nog eens wat spannends mee, waar ik, als gezapige moeder van twee, natuurlijk graag van mee geniet. Op deze bewuste avond vertelde mijn vriendin dat ze haar potentiële nieuwe verkering recent ernstig in de war had gebracht. Hij had namelijk een hele zware kast voor haar de trap op willen dragen en bij het horen van dat galante aanbod was mijn vriendin volledig uit haar plaat gegaan. Want HOEZO durfde dit chauvinistisch manspersoon überhaupt maar te veronderstellen dat zij zijn hulp nodig had bij het sjouwen van meubilair? Zij was toch zeker een onafhankelijke vrouw van in de dertig, die haar eigen boontjes wel kon doppen? Ga weg met die rolbevestigende spierballen, zij droeg zelf dat stuk massief eikenhout de trap wel op, ook al moest ze het met een hernia bekopen. De date was met hangende schouders afgedropen. Eigenlijk had hij haar na het sjouwen mee uit eten willen nemen. Ja, op zíjn kosten dus. Maar dat onzalige idee durfde hij nu al helemaal niet meer te pitchen. Mijn vriendin bleef dus moederziel alleen, hongerig en ook nog eens hevig onbevredigd achter. Want ze had hem aan het eind van de avond eigenlijk heel feministisch willen bespringen. En nu nam hij met tranen in zijn ogen zomaar de kuierlatten. Wat een mietje.

Ik ben opgegroeid met een extremistisch feministische moeder, dus als in een Pavlov-reactie knikte ik instemmend. Eigenlijk wilde ik mijn bh al bijna verbranden in het kaarsje op de tafel. Maar toen begon ik mij toch af te vragen: HOEZO mocht die arme jongen die topzware kast niet naar boven sjouwen, voor het meisje wiens hart hij zo graag wilde winnen? Wat is daar eigenlijk mis mee? Want hoe je het ook wendt of keert: hij is toch de man? Maar in Nederland doen wij niet meer aan biologische verschillen, want wij zijn namelijk geëmancipeerd. Niet op de werkvloer overigens en ook niet als het gaat om zorg, nee, wat dat betreft doen ze het in donker Afrika zo ongeveer nog beter, maar als het gaat om wat we in dit land tussen onze benen hebben hangen (of juist niet), dan maakt dat eigenlijk niet meer uit. De Dolle Mina’s hebben hun schorten namelijk zo hard schreeuwend aan de spreekwoordelijke wilgen laten wapperen, dat we er inmiddels totaal van in een geslachtelijke identiteitscrisis zijn beland. En stiekem wordt daar niemand vrolijk van. Alhoewel we doen alsof we onszelf echt enorm progressief op de borst(en) kunnen kloppen.

Chivalry is dead, zo luidt de uitspraak en inderdaad, dat kun je in Nederland wel zeggen. Want we zijn zo ver doorgeschoten in dat verheerlijkte gelijkheidsprincipe dat vrouwen naast die schorten, ook hun hang naar romantiek en, jawel daar komt ‘ie, afhankelijkheid, zijn kwijt geraakt. Om me heen zie ik alleen maar vermoeide, verzuurde, vrouwen met haar op hun tanden, die stiekem ontevreden zijn over hun bestaan en vooral: over hun vent. Vrouwen die op alle fronten van hun leven de manager uithangen. Op hun werk, als moeder en als (seksuele) partner. En de mannen, die knikken onderdanig en voelen hun scrotum alsmaar krimpen. Want de Nederlandse man, dat is bijna geen man meer. De Nederlandse man, die draagt geen zware boodschappentassen en die houdt geen deuren open. Hij zeult op het vliegveld niet met alle koffers, de kinderwagen en de beautycase, terwijl zijn vrouw alleen de baby maar hoeft vast te houden. Nee, hij zijgt neer op het laatste vrije stoeltje bij de gate, terwijl zijn vrouw een uur moet blijven staan met een baby in haar armen en een schreeuwende peuter aan haar rokken. Oh nee, aan haar oh zo praktische Gaastra afritsbroek, want ook het uiterlijk van de Nederlandse seksen is veelal uniform geworden.

Ik zal de laatste zijn om te beweren dat het aanrecht het enige domein is van de vrouw. Dat je ‘s avonds met je haren in de krullers je man moet opwachten met een wildgebraad in de oven en zijn pantoffels in je hand. Nee, natuurlijk niet, want de jaren ‘50 zijn voorbij (wel zonde van de mode trouwens, daar had ik misschien nog best in een schortje een sukadelapje voor willen laten sudderen). Maar hoewel ik oprecht blij ben met mijn stemrecht en het feit dat ik een broek mag dragen, ik blijf nou eenmaal toch een meisje. En nee, ik hoef mijn hand niet op te houden bij een vent, want ik verdien mijn eigen geld, dus die boodschappen kunnen best ook wel van mijn rekening. Maar hij moet wel de tassen dragen. Want: hij is de man. Ik wil best meer poepluiers verschonen, want ja, ik heb nou eenmaal die baarmoeder en dus meer zorginstinct. Maar dan moet hij ‘s avonds wijn inschenken en mijn voeten masseren. Want: hij is de man. We kunnen wel hardnekkig doen alsof we graag de broek aan hebben, maar niet voor niets vond Christian Grey gretig aftrek in de bioscopen. Niet vanwege zijn zweepjes en zijn amateuristisch geknoopte touwen aan dat spijlenbed, maar wel omdat de testosteron waarlijk uit zijn strak gesteven grijze maatpakken gesijpeld kwam. Waar of niet, ladies?

De man voelt zich geen man meer, omdat wij vrouwen hem dat niet meer gunnen. En dus wordt hij die ontzettend Hollandse polder-lamlul waar wij dan weer zo zurig over gaan lopen zeiken. Maar hoe kan hij anders, als we hem zijn witte paard nooit meer van stal laten halen? Als hij rammelend in zijn net opgepoetste harnas voor ons staat en wij weigeren ons eens lekker te laten schaken? Dan heb je na verloop van tijd toch ook geen zin meer om de jonkvrouw aan je lans te rijgen? Echt, vrouwen vooruit en hoera voor gelijkheid, maar dames, gun die kerels ook eens wat. Laat je vent de boodschappentas met al die flessen frisdrank maar mooi dragen en ja, op een eerste date mag hij dus echt gewoon lekker ouderwets betalen. Kom eens uit die afritsbroek en strijk de boze plooien uit je wangen. En kijk eens naar beneden, want onderaan die barricade steken ze galante handen uit en die mag je best eens aanpakken. Dat maakt je niet meteen een dweperige Joop ter Heul karikatuur (overigens: ik kan het boek echt aanraden), maar gewoon, een beetje vrouw. En dat is eigenlijk best wel lekker.

Share

Stadsmeisjes Paleo Challenge (deel 1)

“Hebt u rauwe honing? En misschien ook kokosbloem?”. Het is negen uur ‘s ochtends en ik sta in de supermarkt. De medewerker in zijn blauw met gele Lidl-jasje kijkt me glazig aan. “Eh…de honing staat bij de chocopasta” zegt hij aarzelend, “en honing is toch altijd rauw…?”. Uiteindelijk sta ik na ruim drie kwartier weer buiten, met een een klein zakje amandelmeel, een bakje kokosrasp en een doosje pompoenpitten. Wat ik daarvoor bij de kassa heb moeten neertellen wil ik het liefst zo snel mogelijk vergeten. Ik verfrommel het bonnetje en stop het diep weg in mijn jaszak. Een klein fortuin uitgeven aan iets dat lijkt op een luxe portie vogelvoer kan ik waarschijnlijk moeilijk verantwoorden in de maandelijkse begroting. In gedachten zie ik de statistieken al een duizelingwekkende val naar beneden maken. Dat wordt geen schoenen kopen deze maand.

Inmiddels ben ik eindelijk begonnen met mijn eerder beloofde ‘Paleo Challenge’: een maand lang eten volgens de Paleo methode. Dit als reactie op de voedselhysterie van tegenwoordig, waar ik enigszins moe van word. Maar, omdat ik niet wil oordelen zonder ervaring, doe ik een maand lekker hysterisch mee. Het was de bedoeling al veel eerder te beginnen, maar toen werd Terrorist nr. 2 opnieuw ziek en gek genoeg weigerden ze in de ziekenhuiskantine speciaal voor mij Paleo-verantwoorde maaltijden te serveren. Recent heb ik een Paleo-bijbel aangeschaft en me ingelezen in de materie. Het thuisfront verklaart mij voor gek, dus ik zal mijn lichaam deze maand moederziel alleen moeten ontdoen van alle gifstoffen die ik de afgelopen 33 jaar tot mij heb genomen. Maar goed, het is nou eenmaal eenzaam aan de top en als ik straks compleet ontgift, gezuiverd en lichtgevend een halve meter boven de grond zweef van pure gezondheid, zullen we nog weleens zien wie er het laatst lacht.

Het blijkt alleen wel een hele klus om tot dergelijke grote hoogten te komen. Na één dag Paleo-verantwoord eten krijg ik enorme hoofdpijn. Een rondje Googlen levert al snel een diagnose op: ik lijd aan de ‘low carb flu’. De Paleo goeroes verbieden hun volgelingen namelijk koolhydraten te eten. En ik besta voor 95% uit koolhydraten. Als ik het voor het zeggen had, at ik het liefst iedere dag spaghetti. Met heel veel geraspte kaas. Kaas mag trouwens ook niet, net als andere zuivel. Ik houd net zoveel van kaas als van mijn kinderen. U kunt zich dus misschien voorstellen dat het verlies van dit goudgele genot zwaar op mijn gemoed drukt. Op mijn lichaam ook trouwens. Een bonkend hoofd, zweetaanvallen, trillende handen, ik lijk Leonardo diCaprio in ‘The Basketball Diaries’ wel. Koolhydraten en kaas zijn mijn crack. In de koelkast grijnst de Old Amsterdam me toe. Daarnaast ligt een stuk geurende rijpe brie, die ongetwijfeld voortreffelijk zou zijn op een toastje vol met gluten. Ook verboden, gluten. Paleo is zoals ik mij de hel altijd heb voorgesteld.

Paleo_2Vlees, vis, ei, groenten, fruit, noten en zaden. Paleo is het holbewoner-dieet. Eigenlijk zou ik een luchtbuks moeten aanschaffen en in de vrije natuur herten moeten gaan schieten. Onderweg naar huis met het kadaver over mijn schouder kan ik dan wat bessen plukken en beukennootjes van de grond rapen, et voila: ik heb mijn kostje bij elkaar. Dat kost in ieder geval minder tijd dan te proberen Paleo-proof boodschappen te doen, want dat is haast een grotere uitdaging dan het volhouden van het dieet zelf. Om echt Paleo-verantwoord te kunnen koken moet je je boodschappenlijstje van een complete make-over voorzien. Kokosolie, amandelmeel, Libanese komkommers (ordinaire Nederlandse komkommers zijn uit den boze), bonitovlokken, mijn voedselbijbel staat vol met dingen waarvan ik het bestaan niet kende en die bovendien eigenlijk alleen maar ergens hoog in de Himalaya, of diep verstopt in het Zuid-Amerikaanse regenwoud te vinden zijn. Wellicht dat je in Amsterdam je ingrediëntenlijst nog wel bij een hippe bio-winkel in Westerpark kunt inleveren, die een lijntje heeft met de uitheemse stammen die de chia-zaden distribueren naar alle gezondheidsfreaks op het westelijk halfrond (vandaar de astronomische prijzen, het kost die bosjesmannen natuurlijk enorm veel tijd om al die kokosnoten te raspen en het gruis in biologisch verantwoorde hennepzakjes te verpakken), maar buiten de ring verkopen ze gewoon alleen maar Jozo keukenzout en bakken de huismoeders hun pannenkoeken lekker met Koopmans. Ik vrees dus dat ik deze maand niet kan werken, want ik ben waarschijnlijk fulltime bezig met boodschappen doen.

En dan zijn er nog de hoeveelheden. Paleo geeft een andere dimensie aan het begrip ‘binge eating’. Een Boulimia-patiënt zou er nog stijl van achterover slaan. Door het wegvallen van de koolhydraten wordt je calorische intake natuurlijk vele malen kleiner. Als je de cijfers op de weegschaal niet binnen een week met de helft wilt reduceren, zul je dat dus moeten aanvullen. Alhoewel ook ik natuurlijk deze zomer graag strak en slank in bikini het strand op wil (als die zomer ooit nog komt), is afvallen niet nodig.  En dus moet ik veel eten. Heel veel. Dikke omeletten van biologisch verantwoorde vrije uitloop eieren, boekweitpannenkoeken met kokosroom en banaan, rösti van zoete aardappel en zalm, en dan heb je alleen het ontbijt nog maar gehad. Nou ben ik niet vies van een goed gevuld bord, ik kan menig stevige bouwvakker eruit eten, maar van de Paleo hoeveelheden ben zelfs ik onder de indruk. Smakelijk is alles overigens wel.

Omschakelen naar een leven volgens Paleo gaat niet zonder slag of stoot, dat is na een paar dagen wel duidelijk. Voor een verstokte koolhydraatverslaafde zoals ik is het, op z’n zachtst gezegd, even wennen. Maar, na een paar dagen trekt de hoofdpijn weg en kan mijn kroost weer tegen mij praten zonder een snauw te krijgen als gevolg van mijn kaas-deficiëntie. Ik voel me energiek en ‘schoon’ van binnen en als ik bij wijze van experiment een slok Cola Zero neem, moet ik het uitspugen omdat het zo mierzoet is dat ik het niet meer kan verdragen. Wel geeft de weegschaal, ondanks mijn vreterij, een kilo minder aan en dat is niet de bedoeling. En, hoe lekker alles ook is, als ik mijn zoon een bord spaghetti of een bruine boterham met kaas zie verorberen, moet ik toch wel even slikken. Toen er hier aan tafel laatst enthousiast een paar knapperige pizza’s soldaat werden gemaakt, zat ik aan de kikkererwten met gestoomde Tilapia. Heel gezond ja, maar toch een beetje karig. Paleo heeft mij nog niet overtuigd, maar goed, het is nog maar mijn eerste week en alle begin is moeilijk. Een doorgewinterde junk verlaat tenslotte ook niet na een week zingend de afkickkliniek. Wie weet ziet de wereld er straks heel anders uit. Als alle kaas uit mijn aderen verdwenen is.

Share

Pleidooi

Soms voel ik mij geen moeder, maar meer een advocaat. Ik heb dan weliswaar geen rechten gestudeerd, maar inmiddels zou ik voor de beklaagdenbank zeker niet misstaan. De afgelopen jaren heb ik namelijk zo vaak mijn gelijk moeten bepleiten, dat ik zelfs de meest kritische rechter nog zou kunnen overtuigen. Als je een kind hebt zoals mijn zoon, ben je niet alleen zijn moeder, maar ook vooral zijn stem. Hij kan zichzelf namelijk niet verdedigen en helaas is dat heel vaak wel zo nodig. Door zijn stoornis komt hij vaak terecht in het verdomhoekje en daar wil je je kind natuurlijk helemaal niet zien. Vier jaar geleden was ik nog verlegen, trok ik mijn mond niet zo snel open. Maar inmiddels kun je met mij beter maar geen ruzie meer zoeken. Zeker niet als het over mijn zoon gaat.

En ruzie heb ik veel gemaakt. Met peuterjuffen, behandelaars, andersoortige autoriteiten en met mensen die vonden dat zij over mijn zoon ook wel wat te melden hadden. Omdat ze hem niet autistisch vonden, maar gewoonweg lastig. Omdat ze hem niet autistisch vonden, maar eigenlijk vooral heel erg dom. Omdat ze hem wél autistisch vonden en dus van mening waren dat we hem net zo goed meteen af konden schrijven en zijn vader en ik het daar natuurlijk niet mee eens waren. Als ouder van een kind dat niet helemaal binnen de lijntjes kleurt, moet je noodgedwongen heel wat noten op je zang hebben.

Soms word ik zo moe van al dat schreeuwen, dan kan ik mijn eigen stemgeluid echt niet meer horen. Mijn gefoeter tegen de zoveelste gemeenteambtenaar, die zegt dat ik me niet zo druk moet maken over alle veranderingen in de zorg, terwijl zij het woord ‘autisme’ in de Dikke Van Dale nog even snel heeft moeten opzoeken. Het standaard riedeltje dat ik afdraai, als iemand weer eens schamper opmerkt dat ieder kind tegenwoordig wel ‘iets’ heeft en dat het met onze zoon dus echt wel mee zal vallen. Mijn betoog tegen de kinderpsychiater, dat onze zoon echt niet zwakbegaafd is en dat hij dus opnieuw getest moet worden. Soms vraag ik me af of er ooit nog dagen komen dat ik gewoon mijn mond eens dicht kan houden. Eens een keer niet hoef te vechten om gehoord te worden, ook al gil ik nog zo hard.

En dan is er nog mijn dochter, voor wie we laatst weer om de tafel zaten met de zoveelste specialist. Voor wie we op de automatische piloot weer drie jaar aan anamnese afdraaiden, opnieuw vertelden wat nu het hele kinderziekenhuis zo onderhand toch wel zou moeten weten. En die na ruim een uur praten alleen maar weer een extra medicijn voorschreef, terwijl we niet eens weten wat dat meisje heeft. Ik heb gewoonweg geen pleidooi meer, ik kan echt even geen nieuw betoog meer houden. Ik heb journalistiek gestudeerd, geen rechten, dus ik doe die geleende toga dan nu tegen wil en dank maar uit. Want na zoveel jaren procederen ben ik even moe gestreden en ben ik toe aan een sabbatical. Aan gewoon even alleen maar moeder zijn voor die twee kinderen, zonder dat ik tussen het boterhammen smeren ook nog de zoveelste barricade moet beklimmen en weer één of andere professional moet overtuigen.

Nog een maand en dan begint Terrorist nr. 1 op school. Komen we weer in een nieuwe stroomversnelling. Cluster 4, Speciaal Basis Onderwijs, indicatie voor dit hier, handtekening voor dat daar. En begint ook al bijna weer de herfst, die meestal ruim zes maanden van verslechtering bij onze dochter inluidt, omdat ze elk virus oppakt en ik de ziekenhuistas dus maar beter alvast klaar kan hebben staan. Ik neem daarom nu mijn vakantiedagen op en ben een maand geen advocaat, maar gewoon alleen maar mama. En oh ja, ook nog schrijver, want daar had ik eigenlijk nog een diploma voor. Ga met een appelsapje en mijn laptop (en ja, na vijven misschien ook met een wijntje) genieten van de zonnestralen die ons dit jaar nog gegund zijn. Even recupereren, voor ik weer de ring in moet.

Misschien doe ik wel nog even snel een cursusje Rechten bij de LOI terwijl ik in de tuin zit, dan ben ik straks in september officieel omgeschoold en win ik wellicht zowaar nog eens mijn eerste zaak. In de journalistiek is tenslotte toch geen droog brood te verdienen, dus wie weet: straks ga ik, al is het dan tegen wil en dank, echt nog eens carrière maken.

Share

Thank you for staring

Er schijnen vrouwen te bestaan die het gezellig vinden om boodschappen te gaan doen met hun kinderen, die op zaterdag fluitend met een uit de kluiten gewassen rieten mand richting de Jumbo togen en daar dan rustig drie uur de verschillende pakken biologische muesli met elkaar kunnen gaan staan vergelijken, terwijl de kinderen in kwestie gedwee tussen de ontbijtgranen door dribbelen en nergens aankomen. Maar dat betreft dan een zeer zeldzame soort moeders, met uitzonderlijk brave kinderen. Voor de meeste moeders is het vergaren van de benodigde levensmiddelen in gezelschap van hun kroost namelijk een bijzonder vermoeiende en bloeddruk verhogende aangelegenheid. Vooral als ze inmiddels zo oud zijn dat je ze niet meer vast kunt gespen in de dwangbuis die kinderwagen heet. En, belangrijker nog, als je een kind hebt, zoals het mijne, dat autistisch is.

Mensen hebben over het algemeen de neiging om overal een oordeel over te hebben. Blijkbaar vinden we het lekker om alles en iedereen om ons heen te verketteren. Harkt de buurman zijn tuintje niet goed genoeg aan? Dan zal het wel een lapzwanserige uitkeringstrekker zijn. Is het kind van je vriendin net een kilootje te dik? Zal wel komen omdat zijn ontaarde moeder hem iedere ochtend chocopasta op z’n brood geeft. Knijpt dat irritante jongetje in alle komkommers op de groentenafdeling van de Albert Heijn? Tja, dat komt gewoon omdat zijn moeder niet streng genoeg is. Kijk maar, na drie keer waarschuwen luistert hij nog steeds niet. Tjongejonge, wat een rotkind. En wat een slechte moeder. En bedankt maar weer. Want tja, dat rotjoch is mijn zoon. En die slechte moeder, dat ben ik.

Mijn lieve zoon, die is autistisch. En dat betekent nogal wat. Dat betekent iets dat heel veel mensen niet begrijpen. Omdat ze er niet mee te maken hebben. Mijn zoon, die luistert niet. Hoe erg ik ook mijn best doe. Omdat hij me niet hoort, omdat wat ik zeg gewoon niet binnen komt. Hij hoort me wel, maar ook weer niet. Want hij zit in zijn eigen wereld. Soms niet, maar meestal wel en dan kan ik lullen wat ik wil, maar mijn kind is niet bereikbaar. Ik zie het in zijn ogen en dan weet ik al hoe laat het is. Dat hij dus in die komkommers gaat staan knijpen. Dat hij dus een driftbui krijgt omdat hij niet een uur bij dat filmpje aan het begin van het gangpad mag blijven en met mij mee moet naar de kassa. Maar toch moet ik naar die supermarkt. Want weet je, autistische kinderen en hun ouders moeten toch ook eten. En naar buiten moeten ze af en toe ook. De wereld in. Waar de andere mensen zijn. Ook al vinden die dat stiekem best wel irritant. Die gewone mensen. Nette mensen. Mensen die normaal doen. Maar ja, wij zijn er ook gewoon. Mijn excuses, meer kan ik er niet van maken.

Ga ik boodschappen doen met mijn twee Terroristen, dan doe ik van tevoren eventjes een schietgebedje. Want ik weet niet hoe het lopen zal. Of ik het tot het zuivelschap haal zonder strijd of stemverheffing. Of we thuiskomen met alle boodschappen en zonder oorlogswonden. Afgelopen week lukte dat in elk geval weer niet. Overprikkeld door alle fluorescerend vrolijke oranje bonushamsters, duwde Terrorist nr. 1 zijn zusje tegen een bont gekleurde paal. Klap, koppie tegen het beton, tandje door de lip. En mama in de rij bij een overvolle kassa. Bloed, een klein brullend meisje en een wat groter hysterisch jongetje. En vooral: een legioen aan afkeurend starende ogen om ons heen. Ja dames en heren, wees niet beschaamd, geniet maar lekker van dit staaltje bedroevend ouderschap en denk er vooral het ongeremde uwe van. Thank you for staring, I always aim to please. En de lokale consumenten hadden weer een leuke zaterdag.

Je raakt eraan gewend, de starende blikken, afkeurend opgetrokken wenkbrauwen. Het onbegrip omdat iedereen zijn oordeel klaar heeft, maar niet de moeite neemt om door te vragen. Leuk is het niet, maar uiteindelijk wordt je huid wel dik, want van alle fronsen en de opmerkingen groeit er op je vel als vanzelf een steeds steviger laagje eelt. En voor mijzelf is het nog niet eens het ergste, want ach, ik ben een volwassen vrouw. Ik ben in staat tot relativeren, tot het treurige besef dat blijkbaar heel veel mensen weigeren verder te kijken dan hun ontzettend sensatiezuchtige neus lang is. Ik kan dat, maar mijn kind, mijn zoon, mijn autist, die kan dat niet. Die staat schuldbewust en met traantjes in zijn ogen bij diezelfde kassa, terwijl zijn moeder zijn zusjes bloedend lipje droogdept met haar eigen mouw en de hele supermarkt stilzwijgend, maar oh zo duidelijk, haar afkeuring over dat kleine jongetje van 4 jaar laat neerdalen en hij zich eens te meer beseft dat iedereen hem raar vindt. En vervelend. En natuurlijk moet ik even zuchten, want zijn zusje heeft een bloedlip. En ik een tas vol boodschappen die nog betaald en ingepakt zouden moeten worden. Maar hij kan er niets aan doen, ook al had hij het allerliefst gewild van wel. Dus ik knuffel hem, in plaats van boos te worden. Maar ja, dat is natuurlijk helemaal een zonde.

“Hallo, wil jij soms dierenplaatjes?”. Terwijl ik het bloeden probeer te stelpen en mijn zoon schoorvoetend naast me staat, buigt er zich iemand over ons heen. “Van Freek, ik denk dat jij hem vast erg leuk vindt” zegt de stem en twee paar vriendelijke ogen kijken ons aan. Terrorist. nr 1. pakt de plaatjes verbaasd aan, stamelt “Dankjewel” en wordt een beetje rood. Ik kijk de oude vrouw verwonderd en enigszins verhit aan en zie zachtheid in haar ogen. “Autistisch?” vraagt ze en ik knik verbouwereerd. Ze glimlacht, legt haar hand even op mijn schouder en zegt: “Ja. Je doet het goed, hoor. En wat een leuke jongen is het” en loopt dan rustig weg.

Gelukkig zijn er ook nog dat soort mensen, die meer zien dan een irritant, vervelend jongetje en een moeder die de definitie van opvoeden in het woordenboek nog niet gevonden heeft. Die een onbevooroordeelde arm om je heen slaan en dierenplaatjes op je wonden leggen, in plaats van er hun net gekochte bus Jozo keukenzout in leeg te strooien. Door dat soort mensen durf ik toch nog naar de supermarkt, of überhaupt naar buiten met mijn kind, dat zich niet gedraagt zoals het de goegemeente goed dunkt. Dus bent u voortaan in de supermarkt en loopt u langs een fijngeknepen komkommer? Haal dan eens diep adem, oordeel niet en vraag bij de kassa om een extra dierenplaatje. Want u kunt gewoon een andere komkommer kopen en als u straks naar huis gaat met uw tas vol boodschappen, is er niemand meer autistisch. Op die manier heeft u een leuke zaterdag en wij weer eten voor de hele week. Dat noem ik nou nog eens een Bonus aanbieding.

Share

Participeren, kreng!

Onlangs schreef ik stuk voor Me to We, over dat je er als moeder goed aan doet je te realiseren dat je de eerste anderhalf jaar na de geboorte van je kind weinig hebt aan je wederhelft. Omdat hij gewoon lekker ligt te snurken, terwijl jij er voor de derde keer die nacht uitgaat met een krijsende baby. Omdat hij nooit weet hoeveel schepjes Nutrilon er op hoeveel milliliter water gaan. En gewoon, omdat hij zo’n jankende, schijtende en boerende baby nou eenmaal niet zo boeiend vindt. Een gecharcheerd betoog natuurlijk, het sarcasme droop er werkelijk vanaf. Maar, toch ook wel met een kern van waarheid, wat het leger azijnpissende kerels die zich opeens en masse meldden op het vrouwenplatform er ook over te zeggen had. Blijkbaar heeft de Nederlandse moedermaffia ook een mannelijke dependance.

Maar, alle gekheid en sarcasme op een stokje, laten we wat verder kijken dan de babytijd, en deze situatie, die maar al te vaak bij jonge ouders voorkomt, eens doortrekken naar een breder spectrum. Die van onze participatiemaatschappij van tegenwoordig. Ik was al niet onverdeeld enthousiast over het concept op zich, maar zo langzamerhand blijkt ook nog eens dat vooral de vrouwen in de samenleving erdoor in een benarde positie terecht zijn gekomen. Vrouwen moeten meer gaan werken, het is een veel gehoorde kreet. En inderdaad, op het gebied van emancipatie bungelen we als Nederland nog steeds tragisch onderaan de foodchain, als het gaat om vrouwen op de arbeidsmarkt. En dat is, anno 2015, toch best wel enigszins beschamend.

Echter, we moeten heden ten dage ook vooral meer zorgen. Zorgen voor elkaar. Want de overheid wil niet meer meedoen en vooral ook niet betalen, dus mogen we het zelf opknappen. Daar kun je sowieso een heleboel van vinden, want wat is er toch gebeurd met het Neerlands socialismus? Maar een andere vraag die rijst is ook: wie haalt nu die gloeiende participatiekastanjes uit het vuur? De vrouw, zo blijkt nu heel erg duidelijk. En dat gaat niet zonder slag of stoot. Want hoe moet je werknemer, moeder en verpleegster tegelijk zijn? Dat zijn wel een beetje veel petten om tegelijk op te kunnen zetten. Toegegeven, we kunnen heel goed multitasken, maar overdrijven blijft altijd ook nog een vak. Echt een keuze is er helaas alleen niet, want al die ballen moeten in de lucht blijven.

Is het gek dat zoveel Nederlandse vrouwen nog steeds voornamelijk parttime werken, of zelfs hun carrière aan de wilgen hangen, als er eenmaal kinderen komen? Vroeger zou ik ja hebben gezegd, maar inmiddels weet ik helaas ietsje beter. Ik heb het wat dat betreft makkelijk gehad, de afgelopen jaren, want ik was afwezig op de arbeidsmarkt. Weliswaar was er thuis, met twee behoorlijk zorgintensieve kinderen en een auto immuunziekte, genoeg te managen, maar de pet van Mama Mantelzorger is er tenslotte toch maar eentje om te moeten dragen. Inmiddels loop ik echter ook alweer een tijdje mee in de ratrace buitenshuis en moet ik eerlijk zeggen dat ik met dat participeren wel een beetje klaar ben.

Kinderen wegbrengen en weer ophalen, kreupele ouders verzorgen en daarnaast de carrièretijger uithangen, de druk op vrouwen wordt steeds groter. Zij participeert zich drie slagen in de rondte en hij, hij doet niet echt lekker mee. Niet omdat de man zich er vanaf wil maken, maar omdat onze maatschappij, nog steeds, zo in elkaar zit. Twee dagen vrij heeft een vader na de geboorte van zijn kind en daar gaat het duidelijk al mis. Want daarna moet hij weer in dat maatpak, terwijl hij zijn vrouw achterlaat bij de flessenwarmer. Welke boodschap zenden we als samenleving daarmee uit? De zorgende man, dat is een mietje. Participeren prima, maar dan gewoon lekker ouderwets, op economisch vlak en toch zeker niet als halfzacht zorg-ei. Laat papa nou gewoon dat vlees maar snijden, en naast die biefstuk mag de rest gewoon wel pontificaal op mama’s bord.

Toegegeven, wij vrouwen doen het ook een beetje zelf, want we trekken meestal alles naar ons toe. Laat die vent maar lekker slapen, wij zijn toch bij het eerste zuchtje wakker en doen die baby dus wel weer. Nee, ik blijf wel thuis met zieke Larsje, want zorgverlof bestaat niet in het woordenboek van mijn mans baas. En oh ja, laat mij die was maar even wegvouwen, want ik kan het toch veel beter/netter/sneller. Delegeren is vaak niet des vrouws sterkste kant, maar klagen en uiteindelijk burn out raken van de stress dan juist weer wel. Dus natuurlijk, hand in eigen boezem is hier tot op zekere hoogte ook zeker wel op zijn plaats, we zijn tenslotte als moderne vrouwen niet alleen maar slachtoffer. Maar draagt die participatiemaatschappij bij aan het emanciperen van de vrouw en het scheppen van de zo hard nodige grotere gelijkheid? Nee, als je het mij vraagt bepaald niet.

Participeren, kreng! Dat roept de maatschappij haar vrouwen toe en dus rennen we collectief onszelf voorbij. En de zorgvraag wordt de komende tijd alleen maar groter, dus hoe lang duurt het nog voor we echt over onze eigen voeten struikelen en er opeens weinig meer te participeren valt? Hoe gaan de hoge heren (en ja, ook hier en daar een verdwaalde dame) het straks oplossen, als de vrouwen allemaal overspannen zijn en de economie nog steeds draait op louter mannen? Want wie staat er dan dagelijks aan het hek van kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang? Wie gaat er eerder naar huis om weer een doosje Sinaspril te halen? Wie gaat er halve dagen werken, omdat er weer een oude moeder geen thuiszorg meer kan krijgen en zich dus vast moet grijpen aan de steunpilaren van familie? Want als er niemand meer beschikbaar is om te jongleren, dan liggen al die ballen echt wel heel snel op de grond.

Participeren kan alleen in een maatschappij die daarop is ingericht en zover zijn we hier in Nederland dus echt helaas nog niet. Misschien als ze daar in Den Haag eens gaan begrijpen dat je een marathon niet kunt winnen zonder eerst getraind te hebben, dat we dan die finishlijn nog weleens zullen halen. Die participatiemaatschappij moet nog maar even in de politieke ijskast. Eerst maar eens werken aan de émancipatiemaatschappij.

Share

1 8 9 10 11 12 35