april 2016

Kleine meisjes worden groot

Onlangs kwam de leidster van mijn dochters kinderdagverblijf naar me toe om te vragen of wij het goed vonden dat Terrorist nr. 2 over ging naar de 3+ groep. Omdat ze, nou ja, inmiddels al geruime tijd 3+ is. En ze dus een beetje uitgekeken raakt op die kleine ukkies in haar klasje en al haar bff’s inmiddels ook op de grote meiden groep zitten. En omdat ze daar meer schoolse dingen doen en dat goede voorbereiding is voor als ze na de zomer de gezegende schoolgaande leeftijd van 4 jaar bereikt. Allemaal hele goede argumenten natuurlijk. Maar ik wilde die leidster eigenlijk het liefst vragen waar ze zo’n ridicuul idee vandaan haalde. Of haar slaan, dat wilde ik eigenlijk ook.

In eerste instantie was ik niet van plan mijn dochter te verplaatsen. Want, hoezo was dat nou weer nodig? Het ging toch goed met haar op de groep? Bovendien, ze was dol op de leidsters. En straks moet ze ook al wennen op de basisschool. Dus haar nu dan voor een paar maanden nog weer ergens anders laten wennen, dat was toch gewoon zielig? Maar toen ze het zelf steeds vaker over haar vriendinnetjes had, die allemaal wél verhuisd waren en ik haar bij het ophalen steeds zeker een kop boven alle andere kindjes uit zag steken, begon ik me toch af te vragen: hield ik haar hier voor háár, of eigenlijk vooral voor mezelf? En tot mijn eigen schaamte hoefde ik over het antwoord op die vraag niet heel lang na te denken. Mama wil stiekem niet dat haar kleine meisje groot wordt.

Het idéé alleen al, dat ze naar een groep van bijna-kleuters kan, ik schiet er gewoon meteen van vol. Mijn baby is plotseling geen baby meer en hoewel ze dat eigenlijk natuurlijk al heel lang niet meer was, is het alsof ik me dat nu pas echt goed realiseer. En opeens ben ik zo’n halfzacht moeder-ei dat haar kind het liefst klein houdt. Omdat ik haar niet los wil laten, de wijde wereld in wil sturen. Want ook al is het slechts naar een speelgroepje drie klassen verder dan waar ze nu zit, wat mij betreft had ik naar zo goed naar donker Afrika kunnen verschepen. Zo voelt het als ik voor de laatste keer haar jas en tas van de kapstok op haar oude groep pak, de lieve, vertrouwde juffen daar gedag zeg en al die andere kindjes, die inderdaad, bij nader inzien, toch wel erg klein zijn, in vergelijking met mijn eigen dame. Die zelf al veel langer door had dat ze de boel ontgroeid was.

Dus nu heb ik afgelopen week mijn Terrorist nr. 2 afgeleverd bij de Nestors van het kinderdagverblijf. En ben ik daarna buiten om een hoekje van het schoolplein even stilletjes gaan staan janken. Waarna ik stiekem door het raam van de nieuwe groep heb gegluurd, in de hoop haar ook snikkend in een hoekje te zien zitten. Maar nee hoor, ze liep in prinsessenjurk de polonaise door het klaslokaal, herenigd met haar al even grote vriendinnen. Dus ik moet het toch maar onder ogen zien: ze was er meer dan klaar voor. Ze gaat duidelijk sneller dan haar moeder, die waarschijnlijk net aan deze stap gewend is, tegen de tijd dat zij al staat te springen voor de deuren van de basisschool. Hoe ik dat ga overleven, die eerste dag dat ze daar over de drempel stapt, daar wil ik nog maar liever niet aan denken. Dan ben ik vanaf nu t/m de zomervakantie namelijk gewoon structureel in tranen, dus ik steek mijn kop nog maar even heel diep in het zand. Want, ons aller Marco zei het al, hoe groot ze ook mag zijn, in mijn ogen blijft ze altijd klein.

Share

Mama mag het vlees niet snijden

Ik ben opgegroeid met een actief feministische moeder. Zo eentje die 80 uur in de week werkte en haar man voor zich liet koken. Toen ik 5 jaar was, liet ze me een test maken in de Opzij, die moest uitwijzen hoe feministisch ik was. Ik kan me nog één vraag herinneren: ‘Wat zou je doen als je in een donker steegje door een man wordt aangevallen?’ Ik hoefde niet lang na te denken: de onverlaat in zijn ballen trappen natuurlijk. Mijn moeder was trots. Ze leerde mij dat het belangrijk was dat ik, als vrouw, op mijn eigen benen kon staan, mijn eigen geld verdiende. Nooit afhankelijk zou worden van een man. Mijn vader was degene die bij ons thuis achter het aanrecht stond, een dag per week thuis was, Lego met mij bouwde en appeltaarten met mij bakte. Dat andere kinderen moeders hadden die ’s middags met thee en koekjes klaar zaten als ze uit school komen, vond ik ronduit vreemd. “Wat doen die vrouwen dan de hele dag?” schijn ik eens gevraagd te hebben. In de familie nog steeds een gretig vertelde anekdote.

Dat mijn jeugd geen gemeengoed was, kreeg ik op een gegeven moment wel door. Want de meeste kinderen hadden dus wél thee schenkende en biscuitjes uitdelende moeders. En nu, zo’n 30 jaar later, is dat eigenlijk nog steeds zo. Zelf werk ik fulltime, maar ik ben eigenlijk de enige moeder in mijn omgeving. Drie dagen is het gemiddelde, vier als je jezelf écht een carrièretijger noemt. Maar vijf, zoals ik? Nee, dat gaat toch wel te ver. “Serieus, fulltime?” krijg ik vaak te horen, of het minder subtiele: “Vind je dat nou niet zielig voor je kinderen?” want de goegemeente vindt dat blijkbaar wel. “Mama, waarom werk jij nou altijd?” vroeg mijn dochter laatst enigszins verbolgen en daar schrok ik toch wel van. Want als ook zij dat vindt, zit er dan niet toch een kern van waarheid in? En carrièretijger of niet, ik blijf toch ook een moeder, dus dan is daar direct het schuldgevoel.

Maar, vroeg ik mij toen af, zegt mijn 3-jarige dit soort dingen dan ook tegen haar vader, die net zo goed vijf dagen per week op kantoor zit? Ik werk tenminste nog één dag thuis, dus opgeteld ziet ze mij vaker. Maar wat haar betreft was dat geen genoegdoening. Op de vraag of ze het dan niet erg vindt dat papa ook de hele week moet werken, antwoordde ze namelijk vastberaden: “Nee, hoor!”, bouwde weer verder met haar Lego en liet mij enigszins beledigd achter. Want, hoe rolbevestigend is dit? Anno 2016 ook nog notabene. Papa komt dus weg met weekenddiensten, maar mama is een dergelijk privilege niet gegund. Ik vind dat best een beetje schokkend en daarnaast ook wel moeilijk, want het plaatst mij, als moeder, toch wel voor het blok. Want uiteraard wil ik het beste voor mijn kinderen, dat ze gelukkig zijn, zich gezien en gehoord voelen. En ik denk dat ik daar heel hard mijn best voor doe. Tegelijkertijd wil ik ook het beste voor mezelf, omdat ik, naast moeder, ook nog vrouw, ook nog Vala ben. Die voldoening haalt uit werken, zelfontwikkeling en uit financieel zelfstandig zijn. Daarnaast ben ik een gescheiden moeder en verdien ik, hoewel net zo hoog opgeleid, zeker de helft minder dan de vader van mijn kinderen. Simpelweg omdat hij een man is en ik een vrouw. En dat, helaas, óók nog steeds onze maatschappelijke norm is. Dus ja, eerlijk is eerlijk, ik werk voor een groot deel voor mezelf, maar voor een deel toch zeker ook voor mijn kinderen. Zodat ik ze kan geven wat ze nodig hebben. Mama is dus gelijk aan papa, zoals ik altijd geleerd heb dat het zou moeten zijn. Maar mijn kind is het met dat curriculum niet eens.

Is dit nature, of is het nurture, dat mijn dochter de afwezigheid van haar vader beter pikt dan die van haar moeder? Is zij, puur biologisch gezien, zo geprogrammeerd, omdat zoogdieren zoals wij, ook nu nog steeds, nou eenmaal meer leunen op de moeder? Of is het haar aangeleerd door haar omgeving, dat mama met de koektrommel op de bank hoort te zitten en papa op kantoor? Ergens knaagt altijd het schuldgevoel als ik op mijn werk zit, terwijl mijn ex-Manlief dat op zijn beurt niet voelt. Overwegen om minder te gaan werken, het is voor hem niet eens een optie. Want ja, hij is vader en dat vindt hij heerlijk, maar hij is ook nog man. Zonder zich daar ontaard over te voelen. En gelijk heeft hij, vind ik gewoon eigenlijk, maar ik zou willen dat ik daar voor mezelf ook zo stoïcijns over kon denken. Hopelijk vindt mijn dochter, als ze later terugkijkt, het net zo normaal als ik vroeger dat ze een moeder had die, naast haar mama, ook nog andere dingen was. Omdat ik weliswaar hoop dat zij later zal ervaren hoe geweldig het is om kinderen te krijgen, om moeder te zijn, maar ook dat ze, net zoals ik nu, iets gaat doen waar ze gelukkig van wordt, zoals ik dat wordt van stukjes schrijven. En dat ze zich ook herinnert dat, alhoewel mama niet op woensdagmiddag klaar zat met zelfgebakken appeltaart, ik wel net zoveel van haar houd als de mama’s die dat wel deden. En dat de kant en klare appeltaart van de Albert Heijn in het weekend ook heel lekker was.

Share

Lieve Terrorist, (2016)

Vandaag is het Wereld Autisme Dag. Een dag waarop ouders zoals ik stilstaan bij mensen zoals jij. Niet omdat we dat niet elke dag sowieso al doen, zoals alle ouders bij hun kinderen, maar omdat we vandaag nog eens extra goed naar jullie kijken. Naar hoe mooi, lief en bijzonder jullie zijn. Naar de dingen die we samen hebben meegemaakt het afgelopen jaar. Omdat een jaar met autisme altijd weer een bijzonder jaar is. Vol uitdagingen, struikelblokken, maar ook vol overwinningen en mijlpalen. En omdat we graag zouden willen dat nog veel meer mensen jullie zouden zien, zoals wij dat doen. En niet zoals de vooroordelen, die er helaas nog steeds heel veel zijn, iedereen wil doen geloven.

Toch moet ik eerlijk zeggen dat het mij heel even ontschoten was, dat het vandaag die dag is. Die dag waar ik mij, een jaar geleden nog maar, juist heel erg van bewust was. Hoe dat komt? Niet omdat ik jou vergeten ben, of je minder mooi, lief en bijzonder vindt. Maar simpelweg omdat het zo goed met je gaat, dat ik steeds vaker een klein beetje vergeet dat je autistisch bent. Waar we vorig jaar nog vaak behoorlijk moesten worstelen, met jou, met wat je voelde, wat je kon en hoe wij je konden helpen, er echt voor je konden zijn, voelt dat nu eigenlijk bijna nooit meer zo. Waar ik mijn eigen kind een jaar geleden heel vaak niet kon zien achter dat masker van autisme, zie ik jou nu eigenlijk altijd meteen als ik je aankijk. Herken ik je eigenlijk altijd als ik in je ogen kijk.

Waar ik je vroeger altijd miste, ook al stond je gewoon naast me, heb ik je nu juist altijd in mijn armen, ook als je niet eens bij me bent. Ik ben niet langer bang dat je niet van me houdt, dat je door mijn schuld soms gevangen zit in je eigen hoofd. Want als ik je nu aankijk, dat zie ik plotseling dat we wél samen zijn, dat jij van mij bent en ik van jou. Dat dat altijd zo geweest is, maar dat we elkaar gewoon alleen nog even moesten vinden, omdat we beiden heel erg op zoek waren, maar een tijd lang in het duister tastten. Nu is het niet meer donker, heb ik mijn hand eindelijk naar je kunnen uitstrekken, zodat jij hem aan kon pakken. En hebben we elkaar niet meer losgelaten.

Je was altijd al veel meer dan dat stempel dat je helaas aan je hebt kleven, maar dit jaar heb je dat autisme echt een trap onder z’n kont gegeven waar het niet van terug heeft. En ik kan je simpelweg in woorden niet vertellen hoe ontzettend trots ik op je ben. Hoe mijn hart zwelt in mijn borstkas als ik je naar jou kijk en naar hoe ver je bent gekomen. Hoe je jezelf hebt overwonnen en eigenlijk iedereen verbaasd hebt, omdat we je met z’n allen weer eens best wel onderschat hebben. Hoe je iedere dag een betere versie van jezelf wordt, terwijl je sowieso al gewoon prachtig was, maar de wereld nu laat zien dat er nog zoveel meer moois aan jou te ontdekken valt. En ik heb zo het vermoeden dat je nog veel meer voor ons in petto hebt.

Stiekem was ik het een beetje vergeten, Wereld Autisme Dag 2016. En eigenlijk ben ik daar best wel blij mee. Niet omdat ik jou minder belangrijk vind dan vorig jaar om deze tijd, of omdat je opeens niet meer autistisch bent. Want dat zal je gewoon altijd blijven. Maar dat geeft niet, want het hoort bij je, het maakt je zelfs eigenlijk tot dat  hele bijzondere persoontje dat jij bent. En dat autisme zal ons nog genoeg uitdagingen brengen in de toekomst, maar inmiddels weet ik dat we die aankunnen. Jij en ik. Samen. Dat ik vandaag vergeten was, betekent dat jouw autisme niet langer de baas is over ons, maar dat wij de baas zijn over jouw autisme. Jouw autisme definieert jou nu niet langer, maar jij, wie jij bént, dat definieert jou. Want ja, jij bent autistisch. Maar dit jaar ben je daarnaast ook nog heel veel meer geworden. Want wat je tegenwoordig vooral bent, eindelijk kunt zijn, is gewoon jezelf. En oh, wat ben je mooi.

Share