oktober 2014

Maskers

Oct13_2014_1Laatst ben ik van mijn fiets gestapt en een weiland in gelopen om heel hard te gaan staan schreeuwen. Normaliter ben ik niet zo van het en plein public spektakel maken, maar gelukkig wonen er in de Achterhoek vrijwel geen mensen en hadden dus alleen de koeien last van mijn gegil. Terrorist nr. 1 heeft het moeilijk op het moment. De chaos in zijn hoofd heeft even de overhand en dus zijn we hem kwijt. Hij is er wel, maar toch ook niet. Het is als praten tegen iemand die de taal niet spreekt. Die klok hoort hij wel luiden, maar de klepel kan hij nergens vinden. Ik sta erbij en kijk ernaar, meer kan ik niet doen. Hij schreeuwt om hulp, maar ik versta hem niet. Ik zou grof geld betalen voor een woordenboek Autisme.

Autisme haalt het slechtste in mij naar boven. Ik word ongeduldig, kwaad na de zoveelste ongefundeerde driftbui. Na het zoveelste stuk Duplo dat door de kamer vliegt. Na 300 keer zeggen dat mijn zoon zijn schoenen aan moet doen. Ik ben niet de moeder die ik wil zijn. De glimlachende, opgeruimde, koekjes bakkende moeder. De moeder die nooit haar stem verheft, nooit om 10 uur ‘s ochtends al wilde dat het kinderbedtijd was en zich nooit afvraagt wat er ook alweer leuk was aan het hebben van kinderen. Ik zie mezelf in de spiegel en zie dat ik in vier jaar tijd tien jaar ouder ben geworden. Ik zie zorgen, verdriet en hier en daar een grijze haar. Autisme is niet mooi om naar te kijken.

June4_2014_8Autisme haalt het beste in mij naar boven. Ik kijk naar mijn zoon en zie de mooiste prestatie die ik ooit geleverd heb. Ik ben de moeder die ik nooit had gedacht te kunnen zijn. Ik ben geduldiger dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Ik vraag hem 300 keer of hij zijn schoenen aan wil trekken en strik uiteindelijk dan maar zelf zijn veters. Ik ruim de Duplo op die door de kamer vliegt. Ik neem hem in mijn armen na een driftbui en vertel hem dat alles goed komt. Kus zijn tranen weg en zeg dat hij veilig is. Ik zie mezelf in de spiegel en zie dat ik in vier jaar tijd tien jaar jonger ben geworden. Ik zie zelfvertrouwen, vrolijkheid en onbevangenheid. Opeens weer een meisje. Autisme is mooi om naar te kijken.

Autisme baart me zorgen. Zorgen over de toekomst. Kan een boerderij in de Achterhoek onze zoon beschermen tegen de boze buitenwereld? Is hij buiten de grenzen van ons erf straks weerbaar genoeg? Als ik morgen onder een tractor loop, wie neemt hem dan aan de hand? Ik ben banger dan ik ooit ben geweest. Bang voor de wereld, de mensen en de oordelen. Het liefst houd ik hem bij me, voor altijd, dat kleine jongetje. Zou ik willen dat hij gewoon eeuwig vier jaar blijft, jong, onschuldig, afhankelijk. Onder moeders vleugels. Omdat ik hem de realiteit niet aan wil doen. Omdat ik zijn wereld wil houden zoals die nu is. Veilig. Met kippen, een eigen moestuin, beestjes om te verzamelen en bomen om tegen te praten. Ik houd zijn hand vast en laat hem nooit meer los.

Autisme geeft me vertrouwen. Vertrouwen in de toekomst. Omdat er achter de chaos zoveel schoonheid zit. Omdat ik nu ook de wereld zie zoals hij hem ziet. Groots, wonderlijk, opwindend. Als je zo in de war raakt van het leven, maar toch een rotsvast vertrouwen kunt hebben in de goedheid ervan, dan moet de wereld wel een mooie plek zijn. Een plek waarin een plaats is voor degenen die het niet helemaal doen zoals het hoort. Ik durf zijn hand los te laten en kijk toe hoe hij voorzichtig steeds verder weg loopt. Ik luister naar zijn verhalen, beantwoord al zijn duizend vragen en weet dat het wel goed komt. Omdat hij net zo nieuwsgierig is als zijn moeder, net zo slim als zijn vader. Net zo vreemd als zijn beide ouders ook misschien. Maar met ons is het toch ook goed gekomen.

Ik faal als moeder, omdat ik mijn kind niet versta. Ik slaag als moeder, omdat ik zijn taal iedere dag beter leer spreken. Terwijl ik in een Achterhoeks weiland mijn onmacht eruit schreeuw tegen de koeien, mis ik Amsterdam. Mis ik de eenvoud, de onbezorgdheid. Mis ik mijn leven als stadsmeisje. Ik stap terug op mijn fiets en voel de herfstwind door mijn haren gaan terwijl ik door de velden rijd. De serene rust van het platteland. Het platteland waar we zijn gaan wonen omdat zijn autisme en ons Amsterdam niet samen gaan. Ik ben dat stadsmeisje, maar toch ook niet meer. De gezichten van autisme zijn veelomvattend en ik wist niet dat ik zelf ook zoveel maskers pas. Ik ben gegroeid, ik ben gekrompen. Ik ben een slechter mens, ik ben een beter mens. Ik ben een lelijker mens, ik ben een mooier mens. So thank you and fuck you, autism. Soms weet ik niet wat meer op zijn plaats is.

Share

Bourgondisch belast

Een tijdje geleden kwam manlief thuis met een presentje. Het ‘Zorgboek Multiple Sclerose’. Een 250 pagina’s tellend epistel over de blijkbaar nogal sombere realiteit van de rest van mijn leven. Het is natuurlijk altijd fijn als je man thuiskomst met cadeaus, maar ik had toch liever de nieuwste Vogue of misschien een doos bonbons gehad. Maar goed, manlief is en blijft een wetenschapper, dus een gelamineerde uitgebreide uiteenzetting van mijn onlangs verworven, levenslange aandoening is in ons huwelijk eigenlijk het equivalent van een bos langstelige rode rozen. Je moet een gegeven paard nou eenmaal niet in de bek kijken.

ZorgboekWaarom ze 250 pagina’s nodig hadden voor dat boek begrijp ik eerlijk gezegd niet. Want na 249 bladzijden deprimerende waarschuwingen over wat je allemaal vooral moet laten, was de ontknoping weinig verheffend. De heilige graal voor de MS-patiënt is namelijk: gezond leven. Veel groenten eten, liters water drinken, iedere dag naar buiten, ook als de Achterhoekse slagregens je om de oren slaan. Niet roken, niet drinken, geen drugs. En liefst ook niet paragliden, kitesurfen, of andere sporten waarbij je na afloop thuis wordt afgeleverd in een bodybag. Nou heb ik nog nooit een sigaret aangeraakt, doe ik niet aan comazuipen en is verstrikt raken in mijn eigen tutu tijdens balletles het enige sportongeval dat ik ooit heb gehad, dus wat dat betreft hoef ik het roer niet helemaal om te gooien. Het is weliswaar jammer dat een grammetje cocaïne snuiven of een keertje basejumpen nu niet meer tot de mogelijkheden behoort, maar daar moet ik dan maar wat anders voor op mijn bucket list zetten.

In het kader van de strijd tegen mijn voortschrijdende aftakeling, is verhuizen naar de Achterhoek een uitermate goede stap geweest. De gezonde buitenlucht giert door mijn sinussen, ik kan ellenlange boswandelingen maken en me te barsten vreten aan groenten, want de moestuin begint zijn vruchten af te werpen. Letterlijk dus, want de zelfgekweekte worteltjes schieten als paddenstoelen uit de grond. Manlief trekt verheugd iedere avond een modderige krop sla uit de grond en stampt goedkeurend onze eigen biologische aardappels en andijvie tot een dampende pan vol vitaminen. Hij denkt erover volgend jaar spruitjes te gaan kweken, omdat die blijkbaar zo gezond zijn dat hij in de veronderstelling is dat mijn MS er spontaan van verdwijnt. Nou zou ik natuurlijk zelf ook het liefst die rolstoel buiten de deur houden, maar zo langzamerhand kan ik geen sperzieboon meer zien.

Japan_2009Voor manlief is de MS stiekem ergens een zegen. Wij zijn namelijk ons hele huwelijk al verwikkeld in een ernstig voedselconflict: ik functioneer alleen op dierlijke vetten, hij slechts op plantaardig proviand. Jaren geleden gingen we eens samen naar Japan en manlief kon zijn geluk niet op. Vier weken lang alleen maar rijst en zeewier, weggespoeld met groene thee. Binnen een paar dagen waren we zo gezond dat we zo ongeveer licht gaven. Voor manlief was het een soort Walhalla, ik ontwikkelde spontaan een depressie. Toen ik halverwege de reis dreigde de scheiding aan te vragen als ik nog één stengel mierikswortel weg moest werken, ging manlief mokkend akkoord met een bezoek aan Starbucks, alwaar ik de rest van de vakantie iedere ochtend enorme cappucino’s en bagels met bacon heb weg gewerkt.

Ik houd namelijk helemaal niet van groenten. Ik houd van kaas. Van koolhydraten. En van vlees. Het liefst zo rood mogelijk. Dat mag je tegenwoordig helemaal niet meer zeggen, maar na maanden met lange tanden sla eten, kom ik er maar gewoon voor uit. Doe mij maar een bloederige biefstuk. Als er dan een takje peterselie op ligt, kan ik dat nog accepteren, maar daarmee vind ik dat ik dan wel aan mijn groentenquotum zit. Doe mij maar een bord vol pasta en als toetje een goede plank met Franse kaas. Huilend bestel ik in restaurants tegenwoordig de gegrilde groentenquiche, terwijl ik op de menukaart de tournedos met gorgonzolasaus bijna mijn naam kan horen roepen. De volgende keer dat ik manlief met een vers geoogste bos worteltjes uit de moestuin zie oprijzen, denk ik dat ik er maar een fles whiskey bij opentrek om de knoop in mijn maag los te weken.

Ik wil best offers brengen voor mijn gezondheid en de genotsmiddelen, extreme sporten en stedelijke geneugten vaarwel zeggen, maar van al die groenten ga ik hallucineren. Als ik te weinig verzadigde vetten binnen krijg, houdt mijn lichaam er gewoon mee op. Daar kan ik niets aan doen, het zit in mijn genen. Dat krijg je ervan als je bent opgegroeid met een vader die iedere avond een vijf gangen diner serveerde van volvette Franse en Italiaanse kost. Ik heb geen bloed door mijn aderen stromen, maar smeerkaas. En ik kan mijn roots nou eenmaal niet verloochenen. Ik ben bourgondisch belast.

Ik zit eraan te denken om een geheime voorraad kaas en een kist goede rode wijn in de hooischuur te verbergen. Dan zeg ik dat ik drie keer per week ‘s avonds ga sporten, maar eigenlijk bouw ik dan achterin de tuin gewoon een eenzaam bourgondisch feestje. Wat niet weet, wat niet deert en nood breekt wet. Dan zal ik de rest van de week braaf mijn spruitjes opeten.

Share

De moeder-oorlogen

Een tijdje geleden mocht ik voor het eerst op audiëntie komen bij ons nieuwe Consultatiebureau. Terwijl ik Terrorist nr. 2 in de houdgreep nam om haar op de weegschaal te krijgen, ving ik een conversatie op tussen twee andere moeders. De dames kenden elkaar duidelijk niet erg goed, maar voelden desondanks de behoefte elkaar hun verschillende opvoedstrategieën op te dringen. “Slaapt hij nóg niet door dan?” vroeg moeder nr. 1, met een minzame blik op de zoon van moeder nr. 2, “hoe oud is hij ook alweer?”. “Anderhalf jaar” fluisterde moeder nr. 2, enigszins beschaamd. “Maar”, kwam ze strijdvaardig terug, “wij laten hem nooit huilen. Daar krijgen ze hechtingsproblemen van, hoor”. Moeder nr. 1 wriemelde onzeker aan de hengsels van haar luiertas. Terwijl hun kinderen harmonieus in het speelhuisje zaten, staarden beide vrouwen elkaar hooghartig aan en zwegen. Gelukkig werd Terrorist nr. 2 op dat moment binnen geroepen voor het verplichte rondje blokjes bouwen en boerderijdieren benoemen en werd de gespannen stilte doorbroken door haar luidkeelse protesten, terwijl ik haar aan haar luier richting de spreekkamer probeerde te slepen. Verheugd richtten mijn collega-moeders hun afkeurende blikken op mijn dochter, die zich inmiddels verbeten schrap had gezet tegen de deurpost, maar vooral: op mij. Ik heb er nog even over gedacht een buiging te maken nadat ik mijn peuter met een ferme duw het kamertje in lanceerde, maar aangezien we nog betrekkelijk nieuw zijn in het dorp, leek het me beter mijn reputatie nog niet helemaal aan gort te helpen.

Het maakt blijkbaar niet uit waar je woont, Amerika, Amsterdam, of Achterhoek, moeders zijn overal sekreten. Je zou denken dat het baren van kinderen je verandert in een warm, liefdevol en medelevend wezen, maar niets is minder waar. Het moederschap is namelijk een soort competitie, waarvoor het startsein al gegeven wordt bij het breken van de vliezen. Pers je je kinderen de wereld in zonder pijnbestrijding, dan heb je al een voorsprong. Ruggenprikken zijn voor kleinzerige zeikwijven die niet in hun weeën durven duiken en het contact met hun vrouwelijke oerkracht kwijt zijn geraakt. Als je je kind niet minstens zes maanden van moedermelk voorziet, krijg je de zogenaamde ‘borstvoedingsmaffia’ achter je aan en is het je eigen schuld dat je nageslacht uiteindelijk minstens 30 IQ-punten tekort komt. Maar heb je na het eerste jaar nog stééds dat kind aan je tiet hangen, dan moet je niet raar opkijken als het later bij de psycholoog behandeld moet worden voor een ernstig Oedipus-complex.

KrukEn dan zijn er nog de ‘opvoedmethoden’. Triple P, Attachment Parenting, de Ria Blom aanpak, er zijn tegenwoordig bijna net zoveel opvoedkundige stromingen als wereldreligies. Vroeger was het gewoon een kwestie van voederen, aankleden, af en toe een corrigerende tik en dan vond iedereen dat je je uiterste best gedaan had. Helaas kom je er als moeder tegenwoordig niet meer zo makkelijk vanaf. Je moet een kant kiezen en je er vervolgens de rest van je leven voor verantwoorden. Want de wederzijdse coulantie is ver te zoeken in de moederbolwerken. Laat jij je baby weleens vijf minuten huilen? Reken maar dat jouw kind later een angststoornis ontwikkelt. Neem jij je nachtbrakende dreumes iedere nacht bij je in het ouderlijk bed? Geen wonder dat het zo’n verwend kreng is. En die strafkruk werkt echt wel, ook als je strontvervelende peuter er voor de 60e keer gewoon grijnzend vanaf stapt en je er het liefst zelf op gaat zitten om een potje te janken.

Tijdens mijn eerste jaren als moeder leed ik aan ernstige ouder-schizofrenie. Ik had zo ongeveer alle opvoedboeken ter wereld gelezen, maar kon maar geen identiteit kiezen. Meerdere malen heb ik op het punt gestaan de foldertjes ‘Positief Opvoeden’ ritueel te verbranden op de drempel van het Consultatiebureau, aangezien Terrorist nr. 1 voor geen enkele methodiek gevoelig leek. De opvoedgoeroe’s nemen namelijk meestal niet de moeite om in hun bijbels ook een alinea’tje te wijden aan de minderheidsgroepen onder de kinderen. Dat een ‘normaal’ kind niet onder de indruk is, als je moeder je in het kader van het consequent zijn de hele dag op zo’n strafkruk zet, maar dan wel met een doos koekjes om het toch vooral positief te houden, is al niet zo vreemd. Maar een kind zoals Terrorist nr. 1 zou er, naast zijn autisme, ook nog spontaan een identiteitscrisis van ontwikkelen.

Aidan_ledikantIk ben er op aangesproken dat ik Terrorist nr. 1 niet zonder verdoving het leven heb gegeven. Volgens een kennis zou dat namelijk best weleens de reden voor zijn autisme kunnen zijn. Persoonlijk denk ik dat het er niet beter op geworden was als hij nóg langer met zuurstoftekort vast had gezeten in het geboortekanaal, maar ik kan het mis hebben. Dat ik maandenlang ‘s nachts naast zijn ledikant op de grond heb gelegen, omdat hij niet wilde slapen, was natuurlijk vragen om problemen. Daarna werd ik verketterd omdat ik hem af en toe 10 minuten in zijn sop gaar liet koken als hij ‘s nachts weer eens de boel op stelten zette. Er is ook een moeder geweest die het belachelijk vond dat ik mijn zoon een paarse muts had opgezet. Wilde ik soms dat hij later homo zou worden ofzo? Eigenlijk mag ik nog blij zijn dat mijn zoon alleen maar autistisch is. Want gezien alle catastrofale fouten die ik heb gemaakt, had hij nu minstens een autistische, verwende, door hechtingsproblematiek geplaagde travestiet moeten zijn. Ik zal mijn zegeningen dus maar tellen.

Tegen de tijd dat Terrorist nr. 2 eraan toe was opgevoed te worden, had ze het nakijken. Inmiddels was ik namelijk burn-out van al het inbakeren, Rapley’en belonings-sticker-kaarten maken en had zodoende besloten de handdoek en alle opvoedboeken in de ring te gooien. En toen gebeurde er iets wonderlijks: want ook zonder de wijze raad van bestsellende opvoedings-iconen en collega-moeders groeide ze van baby uit tot de peuter die ze inmiddels is. Terwijl haar grote broer en ik proberen om mijn multiple personality disorder van de laatste jaren te boven te komen, voedt Terrorist nr. 2 zichzelf op. Ik begin te vermoeden dat onze grootmoeders het zo gek nog niet bekeken hadden: als je er maar genoeg boterhammen, mandarijntjes en vooral liefde in stopt, komen de meeste kinderen wel op hun pootjes terecht.

Ik stop dus maar gewoon met opvoeden en hijs ondertussen de witte vlag in moederland. Zullen we vrede sluiten en ervan uit gaan dat we gewoon allemaal heel erg ons best doen? Dat praat wat makkelijker op het Consultatiebureau.

Share

Met de vlam in de pijp

Vorige week had ik mijn eerste rijles. Ik heb het autorijden 32 jaar lang succesvol weten uit te stellen, maar nu ben ik dan toch bezweken voor de steeds luider wordende protesten van mijn achterban. Vooral Terrorist nr. 1 vindt het, nu de bladeren hem ‘s ochtends achterop de fiets om de oren vliegen, wel ruimschoots tijd dat mama eens achter het stuur kruipt. Het is tenslotte ook niet leuk om altijd door een bezwete moeder met chaos-haar op school afgeleverd te worden, terwijl je klasgenoten met hun perfect gekapte en welriekende moeders uit de auto stappen. Overigens leg ik de schuld van mijn verlate rijvaardigheid bij mijn ouders neer. Ik ben namelijk belast met slechte chauffeurs-genen. Mijn vader zakte vijf keer voor zijn examen en mijn moeder drie keer. Sowieso begon zij er pas op haar 55ste aan, dus ik vind dat ik nog ruim 20 jaar heb om mijn rijbewijs in de wacht te slepen.

MaisDat zal ook wel nodig zijn, want ik moet toegeven dat ik niet de meest aangewezen persoon ben voor het besturen van gemotoriseerde voertuigen. “Je bent een beetje nerveus, of niet?” vroeg mijn rij-instructeur voorzichtig, toen ik plaats nam achter het stuur. Terwijl ik met trillende handen de autosleutel in het contact stak en probeerde de neiging tot projectielbraken te onderdrukken, zei ik dat dat wel meeviel. Ik denk eerlijk gezegd niet dat hij erin trapte. Sowieso kon ik de schijn niet lang ophouden, want tot mijn grote schrik blijkt het normaal te zijn dat je tijdens je eerste rijles ook al daadwerkelijk de weg op gaat. Het leek mij veiliger om de eerste vijf lessen gewoon stil op het erf te blijven staan, maar dat is blijkbaar niet de bedoeling. En dus gaf ik gillend gas en stuurde de auto vrijwel meteen recht het maïsveld in.

“Oke!” riep de instructeur en greep het stuur, “een beetje minder enthousiast mag wel”. Dat het geen enthousiasme, maar voornamelijk ernstig gebrek aan ruimtelijk inzicht was, heb ik de beste man maar niet verteld. Het leek me nou eenmaal niet bevorderlijk voor de veiligheid als hij ook een zenuwinzinking kreeg. Maar eenmaal van het erf af en op de openbare weg ging het toch verbazingwekkend goed. Zolang er geen tegenliggers of rotondes in zicht waren in ieder geval. Het fijne van rijles op het platteland is dat de wegen voornamelijk rechtdoor gaan en verlaten zijn. Het nadeel is echter dat, als je dan een tegenligger in het vizier krijgt, het gelijk een enorme tractor met aanhanger is. Terwijl ik er hyperventilerend op afstevende, hoorde ik de instructeur nog roepen: “Het is wel de bedoeling dat je je ogen ópen houdt tijdens het rijden!”. Persoonlijk zie liever niet hoe ik mijn eigen dood tegemoet ga, maar daarover verschillen kennelijk de meningen.

“Je mag hier zestig…”. Terwijl de rij auto’s achter me steeds langer werd, gluurde de instructeur op de snelheidsmeter. Ik voelde me met dertig kilometer per uur al best een snelheidsduivel, maar blijkbaar geldt meer dan tien kilometer onder de toegestane snelheid rijden als gevaarlijk gedrag. In mijn optiek luidt het spreekwoord niet voor niets ‘haastige spoed is zelden goed’ en sowieso leek het me beter om tijdens mijn eerste les geen slachtoffers te maken, maar van furieus geclaxonneer en een colonne bumperklevende Achterhoekers in je kielzog word je ook niet vrolijk. Dus trapte ik het gaspedaal harder in en vloog de eerstvolgende rotonde op. Ik verwacht de factuur voor de behandeling van de post traumatische stress stoornis van het oude dametje dat net probeerde over te steken elk moment.

WegNa een uur les stonden we weer op mijn erf. Heelhuids en met de auto nog helemaal intact. Mijn handen trilden niet meer, maar de diepe groeven van mijn nagels waren duidelijk te zien in het stuur. “En?” vroeg de instructeur aarzelend, “hoe vond je het zelf gaan?”. “Nou” riep ik opgewekt, “ging volgens mij niet eens zo heel slecht!”. Uit de enigszins verbouwereerde blik en opgetrokken wenkbrauwen van de instructeur was af te leiden dat we daarover van mening verschilden. “In ieder geval fijn dat je het zelf zo ervaren hebt” was zijn uiteindelijke respons. “Ik denk wel dat we nog wat werk te doen hebben”. Peinzend trok hij zijn i-Phone uit het dashboardkastje. “Wat zou je zeggen van de komende zes maanden iedere week minstens een uur?”.Nadat manlief ‘s avonds zijn waardering had uitgesproken over het feit dat zowel ik, als iedereen in het dorp, nog leefde, sloeg hij koortsachtig aan het rekenen. Voor de zekerheid heeft hij nog eens drie extra maanden rijles ingecalculeerd. Toch fijn om te weten dat de rij-instructeur meer vertrouwen in je heeft dan je eigen echtgenoot.

Met een beetje geluk haal ik straks tegelijkertijd met de Terroristen mijn rijbewijs. En als ik de familie-eer hoog houdt en meer dan vijf keer zak, heb ik inmiddels twee privé-chauffeurs. Een fatsoenlijke opleiding kunnen we door al die rijlessen straks namelijk nooit meer betalen, dus heeft mijn kroost toch niks beters te doen dan hun oude moeder door de Achterhoek rijden. In de tussentijd hoop ik dat de hoeveelheid rechtszaken niet teveel op gaat lopen. Misschien verstandig om de Terroristen binnenkort hun eerste krantenwijk te geven. Want ik neem aan dat de komende 20 jaar smartengeld betalen behoorlijk in de papieren gaat lopen.

Share

Tunnelvisie

Onlangs stond er in Trouw een artikel over een autistisch meisje. Zij had de reguliere basisschool succesvol doorlopen en zat nu in de tweede klas van het gymnasium. Dit was hoogstwaarschijnlijk niet gelukt als zij niet op een basisschool terecht was gekomen die bereid was zich te verdiepen in haar stoornis en tegemoet te komen aan haar specifieke manier van denken en leren. In het artikel spraken ouders en schooldirectie zich uit over het belang van samenwerking en het accepteren van mensen die niet precies binnen de gebaande paden wandelen. Het meisje in dit verhaal had het Syndroom van Asperger, dezelfde vorm van autisme als Terrorist nr. 1 heeft. Een lichtpuntje in de duisternis, voor ouders zoals manlief en ik. Een teken dat het dus wél kan, autistisch zijn, maar toch normaal meedraaien in de maatschappij. Maar ook: met je neus op de feiten van de schrijnende werkelijkheid gedrukt worden. Want blijkbaar is de open blik en welwillendheid van deze school zó’n unicum dat het de krant haalt.

June27_2014_6Toen Terrorist nr. 1 nog naar een reguliere peuterspeelzaal ging, kregen wij op een dag opeens een duimendik rapport door de brievenbus geschoven door één van de leidsters. Toen ik de deur open deed had deze overigens al de benen genomen, een kleine toelichting was blijkbaar teveel gevraagd. In het rapport was te lezen dat men tot de conclusie was gekomen dat onze zoon een debiel was. Het stond er weliswaar niet met zoveel woorden, maar je kon er weinig anders van maken. Volgens de vele gekleurde grafiekjes die het verslag rijk was, kon Terrorist nr. 1 eigenlijk gewoon niks en had hij in de 8 maanden dat hij het schooltje had bezocht ook geen enkele ontwikkeling door gemaakt. Eigenlijk was hij gewoon een uit de kluiten gewassen, kwijlende baby en bovendien ook nog onhandelbaar. Het kwam, op z’n zachtst gezegd, nogal als een verrassing. Niet dat we zelf niet ook al het idee hadden dat er wat met hem aan de hand was, maar voor zover wij met ons lekenoog konden zien was onze, destijds 2.5 jarige, zoon, toch echt wel verder ontwikkeld dan zijn zusje, die toen nog een baby was en dus inderdaad alleen nog maar kwijlend in een hoekje lag. Kan zijn dat wij het verkeerd zien, maar als een peuter van nog geen 3 jaar vragen stelt over hoe het universum in elkaar zit en wat er eigenlijk met je gebeurt als je dood gaat, leek het ons terecht om dat onder de noemer ‘ontwikkeling’ te scharen.

Op de avond dat we bij de dames peuterjuffen verhaal gingen halen smeekte manlief mij om toch vooral redelijk te blijven. Ik kan met mijn hand op mijn hart zeggen dat ik het geprobeerd heb, maar moet toegeven dat ik jammerlijk faalde. “Jaaa” kweelde peuterjuf nr. 1, terwijl ze ons medelijdend aankeek, “hij wil nooit wat de andere kindjes willen, hè. Dat is voor ons zooo lastig te managen, met zoveel kindjes op de groep”. Het klasje bestond uit welgeteld vijf peuters, twee leidsters en een stagiair. Fijntjes heb ik gevraagd of Terrorist nr. 1 soms probeerde om de knutselhoek in de fik te steken. Of misschien zijn luier uittrok en de muren met zijn eigen ontlasting besmeurde. Of dat hij zijn medeleerlingen met een schaar te lijf ging, onderwijl krachttermen scanderend. Terwijl manlief mij onder de tafel probeerde te schoppen, staarden de juffen mij verbouwereerd aan. “Eh…nee, nee natuurlijk niet”, was hun stamelende antwoord. Op mijn volgende vraag of ze zich ervan bewust waren dat de meeste peuterspeelzalen in Amsterdam klassen van 20 kinderen hebben, waarvan minstens de helft uit probleemgezinnen komt en ze dientengevolge meestal een Stanleymes of een paar gram wiet in plaats van een appeltje in hun rugzak hebben zitten en dat dát pas ‘lastig managen’ is, kwam geen respons. Ik ga ervan uit dat in ieder geval die ene leidster na het gesprek met ons overspannen is geraakt. Dat was ze in die afgelopen acht maanden sowieso al drie keer geweest (logisch natuurlijk, want drie keer per week een ochtendje liedjes zingen met vijf kinderen moet inderdaad wel een hondenbaan zijn) en nu ze met de moeder van het addergebroed dat haar klas terroriseerde te maken had gehad, denk ik dat ze zich maar meteen afgekeurd heeft laten verklaren.

Als het aan de betreffende school had gelegen, was Terrorist nr. 1 ergens achterin de klas gezet en er nooit meer vandaan gekomen. Zijn basisschool-tijd had hij waarschijnlijk eenzaam doorgebracht, met slechte scores en een steeds verder groeiend minderwaardigheidsgevoel. Hoe kan het toch dat er zo vaak niet verder gekeken wordt dan de neuzen lang zijn? Ik kan er zelf over meepraten. Rekenen kan ik namelijk niet en dat zorgde voor redelijk wat problemen op school. Al gauw liep ik ettelijke boekjes achter en werd ik door de meester zuchtend als ‘dom’ bestempeld. Ik moest in de pauze mijn werk inhalen met deze man hijgend in mijn nek, terwijl hij ongeduldig: “Jezus, snap je het nou nog niet?!” riep. Na jaren van particuliere bijles en testen bij een prijzig instituut bleek ik Dyscalculie te hebben. Je kunt mij dus breuken laten maken tot ik een ons weeg, maar voor mij blijft het gewoon een onbegrijpelijke cijferbrij. Op de middelbare school ontving ik huilend de ene 3 na andere voor mijn natuurkunde proefwerken, terwijl de docent mij ten overstaan van de gehele klas belachelijk maakte. Gelukkig had ik een hele lieve klas en de school bovendien een geweldige rector die de natuurkundeleraar aan het eind van het jaar dwong een 5.5 op mijn rapport te zetten, zodat ik toch overging en ik het volgende jaar alle bètavakken kon laten vallen. Zonder die man had ik nu nog steeds in 2 Havo gezeten.

Sept3_2014_3We sturen onze kinderen naar school, in de veronderstelling dat de mensen daar weten wat ze doen. Niet alleen dat ze de nieuwe generatie volwassenen gestaag door de leesplankjes, de tafels en de Duitse naamvallen heen loodsen, maar ook dat ze zien dat niet ieder kind op dezelfde manier leert. Dat iemand soms nét iets anders nodig heeft om wel te kunnen snappen wat de Stelling van Pythagoras inhoudt. Meer tijd misschien. Een koptelefoon om geluid te dempen. Of een proefwerk dat voorgelezen wordt, in plaats van op papier staat. Niet omdat je stiekem dom bent, of recht hebt op meer privileges dan anderen. Maar gewoon, omdat je een individu bent en het menselijk brein nou eenmaal geen eenheidsworst.

Als het in de huidige maatschappij zo belangrijk is dat we allemaal op de toppen van onze kunnen presteren, waarom worden de talenten van zoveel kinderen dan zonder pardon van tafel geveegd, simpelweg omdat ze er geen genoegen in scheppen om twee uur hamertje tik te spelen, of omdat ze de letters steeds maar omdraaien en daarom drie uur over een proefwerk doen? Als ik heden ten dage op school had gezeten, weet ik zeker dat ik het niet had gered. En hoewel ik niet zal beweren dat ik kan wedijveren met Einstein, ben ik, ondanks mijn blinde vlek als het om cijfers gaat, toch echt niet achterlijk.Ik ken een aantal leerkrachten en van allemaal weet ik dat dit mensen zijn die zich enorm inzetten voor de kinderen die ze in hun schoolbanken krijgen. Dus is het allemaal kommer en kwel? Nee, want ik weet dat ze er zijn: de juffen en meesters die een kind echt zíen. Ik hoop maar dat Terrorist nr. 1 er straks zo eentje treft, als hij naar het regulier onderwijs gebonjourd wordt. En dat dit soort mensen heel snel niet meer in de minderheid zijn. Dan kunnen de journalisten zich weer met andere dingen bezig houden. Want een school die rekening houdt met zijn leerlingen, dat zou toch eigenlijk geen nieuws moeten zijn.

Share

1 2